Het zakhorloge-11

Uit de neusgaten van Sulfus Sifidus kringelen kleine rookpluimpjes omhoog. Zijn ogen rollen in hun oogkassen. Ze tollen drie keer rond en dan schieten er plots twee roltongen uit die heel scherp hinniken. ‘Hi, hi, hi, hi!’ Piet kijkt verbaast naar Ernest. Althans, dat denkt ie. Want Ernest is in geen wegen of velden te bekennen. Hoewel. Hij ziet nu dat Sulfus op iets kauwt. Dat kleine paard heeft een baard in de mond. En, en, Piet is ineens ook heel klein geworden.

‘Roltongmagie’, snerpt Sulfus. ‘Ik had nog een appeltje te schillen met jouw vriend.’
‘Heb, heb, heb, … heb je hem echt opgegeten? En hoe, hoe, hoe … heb je hem zo klein gemaakt?’
‘Roltongmagie, hebben ze je dat niet verteld in Tempus? Nee, natuurlijk niet. Hebben Gnomon en Substituto natuurlijk verzwegen, de lafaards. Wel graaf Bell, het is heel simpel. Het is nu tussen jou en mij.’

Piet weet niet meer hoe die het heeft. Hij wordt nu ook wat misselijk van de zwaveldamp die meer en meer de grote oranje ruimte vult. Ook hoort ie vager wat Sulfus hem verteld. Iets over Gnomon, maar volgen doet hij het niet meer. En wie komt daar nu aangelopen? Een heel klein mini mini draakje. En wat draagt ie in zijn nek? Een grote filmcamera. Het draakje draagt ook een klein klapstoeltje met zich mee. In de rugleuning staat met kleine letters geschreven: Regie Spike.

‘Ja, je zit het goed Piet, we gaan alles opnemen. Dit wordt een gevecht dat bewaard en getoond moet worden. Zo komt mijn sprookje uit, en blijf ik beroemd voor de eeuwigheid. En jij, jij mag de hoofdrol vertolken. Ik heb ook al een titel voor de film: Timeless temptation of a town called Tempus!’

Er flitsen nu drie dingen door het hoofd van Piet. Droomt hij? Ziet hij spoken? Is realiteit meer bizar dan fantasie? Het belangrijkste vergeet ie echter. Hoe redt hij zich hier uit? Hij, de man met een missie. De draak verslaan (maar wie is hier nu de draak?) en dan nog twee horloges met elkaar matchen. Maar Piet is niet bang. Nog niet.

‘Wil je een beetje naar links gaan staan?, vraagt Spike, de mini mini draak. ‘Dan krijg ik je beter in beeld. Ja, goed zo, niets meer aan doen.’ Hij seint zijn meester in. En wat er dan gebeurd is haast niet na te vertellen. Sulfus verslikt zich in zijn eigen zwavel, krijgt een enorme hoestbui en komt veel te dicht bij de kaars die op tafel staat en schiet plots in brand. Als een idioot stuitert ie door de oranje kamer, maar het vuur krijgt hij niet uitgestampt. Ook de ruimte vat nu vlam. Als de wiedeweerga rent Piet de kamer uit de brug over en weet nog net op tijd te ontsnappen. Zou die dood zijn, Sulfus? Dat is het enige dat hij zich afvraagt. Dan komt Spike voorbij. Camera in zijn nek, stoel in de hand. ‘Het staat erop. Nu nog even monteren en we hebben weer een sprookjesfilm.’

Gered? Is hij nu gered? En Tempus? Hij moet Tempus nog redden. Snel rent ie naar … ja … naar waar ook weer? De Tijd der Tijden. Natuurlijk. Het momument. Moment. Maar waar staat dat monument? Spike wijst hem de weg. Linksaf, dan rechtsaf en bij het bordje Woord 7000 rechtdoor. Piet rent de eerste gang naar links in, slaat rechtsaf en spurt voorbij het bord. Geen tijd te verliezen. Hij wil naar huis. Het idee alleen al dat zijn klokken thuis geen aandacht krijgen, maken hem helemaal gek. Daar is het monument. Kan niet missen. Een gouden wijzer staat rechtop in het zand. Een gebruiksaanwijzing heeft Piet niet nodig. Het monument en moment zijn daar. Hij rubt het zak- en tegenhorloge tegen elkaar en voilà de tijd loopt weer synchroon. Uit de gouden wijzer springt confetti.

Snel terug naar Tempus. Onderweg valt Piet over een verbrand roltongetje. ‘Auw!’, roept de roltong, die zich vliegensvlug aan Piet ontvouwt. Nee, nee! Maar daar is Ernest! Hij leeft nog! Jippie! Blij omhelzen ze elkaar en gaan snel verder. De uitgang weten ze snel te vinden. Zodra ze de uitgang verlaten keren beiden weer terug in hun normale proporties. Een stukje verder pikken ze P.S. ook even op; hij ziet er nog wat slaperig uit. Onderweg naar Tempus vertelt Piet wat er allemaal in de tussentijd is gebeurd. ‘Echt, echt, echt …!’, is het enige dat P.S. en Ernest kunnen uitbrengen. ‘Ja, echt, levensecht!, antwoord Piet.

De tijd lijkt voorbij te kruipen. Zo traag gaat ie. Dat komt omdat deze weer normaal loopt. Een mooie gelegenheid om vragen te stellen denkt Piet. ‘Zeg P.S. , zijn jullie elven nu mannetjes of vrouwtjes, dat vraag ik me al af sinds ik jou ontmoet heb.’ Gnomon kijkt hem verbaast aan. ‘Weet je dat dan niet, is dat nooit verteld? Wij elven doorlopen tijdens ons elvenleven seksewisselingen. Dat verklaart meteen ons eeuwig bestaan. Tijdens tekorten, want die komen in ons bestaan ook voor, met name tijdens oorlogen met onze aartsvijand, de Gele dwergen, wisselen we van sekse. Opdat er altijd genoeg elven geboren kunnen worden. Soms gaan die wisselingen heel snel. Vooral in crisistijden. ‘

Piet kijkt P.S. met grote ogen aan. ‘Wauw, dus jullie genderen? Dat is gaaf. En waarom zijn jullie eigenlijk groen? Dat vroeg ik me ook nog af.’ ‘Ha, ha, ja, goede vraag. Eeuwen geleden zijn we in oorlog geraakt met de Gele dwergen. Wij ergerden ons zo vreselijk aan hun onhebbelijkheden en irritante gedrag dat we van ergernis groen kleurden. Het grappige is, dat die kleur de Gele dwergen zo afschrikte dat we besloten de kleur groen als oorlogskleur te behouden. Hoe vindt je het ons staan?’ Piet moest lachen. ‘Geen gezicht eigenlijk, maar het staat wel duurzaam.’

Eindelijk bereiken P.S. , Ernest en Piet de grens van Encantades. In de verte zien ze Tempus al liggen. Jippie. Nog even en dan kan Piet weer terug naar huis. Ware het niet dat. Nee, het is niet waar … Een gigantische wegversperring. Voor het roodwit gestreepte afzetlint staat een grote pompeuze vrouw. Een boze vrouw, want ze kijkt heel kwaad. Ze draagt een naambordje. Alle drie lezen ze tegelijkertijd het naambordje hardop voor: ‘J.K. Rows, administrateur en elf uit het geslacht der Groene Boselven’. Wat nu?

6 gedachten over “Het zakhorloge-11

  1. Goed vervolg met een paar vermakelijke kwinkslagen zoals we die van je gewend zijn, en een mooie cliffhanger waar de volgende schrijver op kan inhaken. Één kleine aanmerking: je schrijft twee keer ‘verbaast’ met een t waar dat met een d moet zijn (voltooid deelwoord). Wat zeurderig van mij misschien, maar het stoorde me een beetje bij het lezen.

Geef een reactie