Val

Ze denkt na.

De dubbelheid: als ze kletsen en lachen is het contact zo innig dat er sprake lijkt van een trechter. Een door dunne randen begrensd reservoir dat nauwer wordt de diepte in. Een tunnel vormt zich richting een nieuwe ruimte, waar alles in uitmondt. Alles stroomt daarheen, wringt zich door de smalle buis om dan vrij te klateren. Grind, rijst, poeder maar vooral vloeistof móét stromen als een rivier naar een waterval, geen stroomopwaarts mogelijk; de waterval spat uiteen in het eindelijk thuiskomen, huid op huid, mond op mond, geur in geur, stem in stem. Samenvallen. Samen vállen. Met of zonder seks, als lijf maar aan lijf lijmt.

Handwerk

Is het schrijven, typen? De lijn tussen hoofd en hand lijkt onderbroken. Als een stippellijn tussen twee tegengestelde richtingen. Waar moet men heen? Het is niet zoals met vulpen; inkt als schrift op papier laten uitlopen. Als een spin die vanuit een geheime klos vanbinnen draad laat afrollen en een web weeft. De ordening ligt besloten in de trefzekerheid waarmee alle draden met elkaar verknoopt raken. Een blauw web, of een zwart. En soms ook paars.

Wrijving

De laatste blik van haar naar hem en weer terug, is strak maar stroperig. Ze staan in de deuropening, met zijn rechterhand houdt hij de klink al vast.
“Tot straks.” zegt ze.
“Tot straks.” Hij trekt de deur dicht.

Rode vruchten

Ze plukt aardbeien in de verwilderde tuin. Kleintjes zijn het, maar prachtig rood en zoet. Dat weet ze uit ervaring hoewel ze eigenlijk niet zo heel erg van aardbeien houdt. Zij houdt meer van appels. Frisse, zoetzure, roodgroene knapperige sappigheid. En van bananen houdt ze ook, zachte gele volheid, smeuïg in de mond.