Als ik aan Friesland denk

En omdat ik weer niets te doen had, besloot ik erop uit te trekken. Ik liep naar het station, gewapend met een goed boek, en zou wel zien wat de dag van vandaag voor mij in petto had. Mijn bestemming zou worden bepaald door de eerste de beste trein die klaarstond, tenzij het einddoel Friesland was. Daar kom ik niet graag. Het Friese volk is namelijk achterlijk. Serieus, dat is echt zo. In Drachten ontmoette ik ooit een hovenier die me vroeg of wij negers nog steeds zo gediscrimineerd werden in het westen des lands. ‘Ik kom uit Turkije, mijnheer’, was mijn antwoord. ‘Nou goed, jullie Marokkanen dan?’ corrigeerde hij zichzelf. Evenveel ellende maakte ik mee in Haskerhorne.

Het Noorden kwijt

Mijn glas viel in zeker drie stukken op de grond. Maar door het geluid van de muziek hoorde niemand dat. ‘Nu moet je weten, Anna’, startte ik mijn ontboezeming, ‘dat ik reeds vier jaar verliefd op jou ben, niet zo’n klein beetje ook.’ Zij keek naar de grond, naar de plek waar de resten van het glas lagen. ‘Maar je kent me pas twee weken’, merkte ze verbaasd op. Ik dacht even na. ‘Is dat zo? Kun je nagaan hoe hardnekkig die verliefdheid van mij werkelijk is. Ik ben heel fanatiek in verliefdheden, moet je weten.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ga weg, engerd. Jij spoort niet!’ Het meisje stelde me teleur. ‘Je moet niet zo kieskeurig zijn, hoer. Dat ben ik toch ook niet. Hoer. Hoer. En nog eens hoer. Ja, driewerf hoer!’ Ze liep om onduidelijke redenen boos naar buiten.