Optellen en aftrekken
“Wát? Zijn jij en Richard uit elkaar?”
– “Ja, joh, al een maand of twee.”
“Maar jullie waren al negentien jaar samen. Wat heb je uitgevreten, Sofie?”
-“ Ik iets uitgevreten? Hij heeft liggen wippen met de buurvrouw.”
“Vreselijk. Je zult het wel moeilijk hebben nu.”
-“Meid, na twee dagen simmen had ik het wel weer gehad. Ik voel me prima. Beter dan ooit kan ik wel zeggen.”
