Het miezert nog een beetje, als Sjef den Soete, Siep en Chris met de motor bij de Roerdonkse watermolen arriveren. Verscholen onder het groen, liggend aan het meanderende riviertje de Roer, zou het zo voor een schilderwerk van Meindert Hobbema model hebben kunnen staan. Sjef stapt af. Met de handen in zijn zijde kijkt hij met minachting naar het historisch bouwwerkje. “Wat een pongel. Snap niet wat jou broer ooit in deze toelie heeft kunnen zien. Tja, als hij ons hier maar vandaan helpt, ‘t zal mij verder worst wezen.” Siep loopt naar de voordeur en roept zijn broer: “Toon!” Als op bevel gaat de deur open, een morsige figuur verschijnt in de opening. “Hé Sjef, weer op vrije voeten, stuk ongeluk?” verwelkomt Toon zijn gasten. “Yep! Heb je iets kunnen regelen?“ vraagt Sjef. “Komt dat zien, komt dat zien,” nodigt Toon het gezelschap verder. Chris wordt hardhandig uit het zijspan gesleurd en mee geduwd. Toon kijkt zijn broer vragend aan, en haalt vervolgens zijn schouders op. Ze lopen om het gebouw heen. Vandaar kijken ze uit over de smalle rivier. Aan de overkant van het water staat, in een weiland, een klein vliegtuigje geparkeerd. “Speciaal gecharterd, daarmee halen we het makkelijk tot in Duitsland,” pocht Toon. “Wat doen we met die gast?” vraagt hij fluisterend aan Siep, wijzend naar Chris. “Maak je geen zorgen, los ik wel op,” antwoordt Siep. Ze lopen over een houten brug, naar de andere kant van de rivier. Bij het vliegtuig aangekomen klimt Toon in het toestel en start de motor.
Ondertussen zijn Rien Smits, Grad Bussenmaker en agent van Seggelen in de wagen van veearts van Osch bij de watermolen aangekomen. Ze stappen uit, horen het geluid van het taxiënde vliegtuig en rennen op hun beurt om het gebouw heen. Ze zien hoe het toestel klaar staat om te vertrekken.
Toon en Sjef zitten al in de cockpit. Op het moment dat Siep aanstalten maakt om in te stappen, draait hij zich snel om en richt zijn geweer op Chris. “Omdraaien, en maak dat je wegkomt,” snauwt hij de jongen toe. Dan klinkt er plotseling een schot. Siep zakt met een finaal doorboorde borst als een pudding in elkaar. Verschrikt draait Chris zich om en ziet Grad op de brug staan, met zijn buks aan de schouder. De kluizenaar heeft geen moment getwijfeld en met een loepzuiver schot Sieps’ pijp voor altijd uitgeblazen. “Wegwezen!” schreeuwt Sjef tegen Toon. Toon aarzelt nog even, ziet Smits, Bussemaker en van Seggelen op het vliegtuig af komen rennen, en zet dan door. Chris grijpt het geweer van de levenloze Siep, legt aan en schiet de piloot vanaf de zijkant dwars door het hoofd. Het nu stuurloze vliegtuig zwenkt uit, raakt van zijn baan en verdwijnt in de rivier. Smits, Bussemaker en van Seggelen zien het allemaal gebeuren. Van Seggelen maakt aanstalten om in het water te springen, maar dan richt Grad Bussemaker zijn buks op de agent. “Laat hem zichzelf maar redden, van Seggelen,” spreekt hij dreigend. Van Seggelen begrijpt dat het menens is, en staakt zijn reddingspoging. Door het grauwe water zien ze nog net hoe Sjef den Soete wanhopig uit de cockpit van het gezonken vliegtuig probeert te komen. Met een van doodsangst vertrokken gezicht drukt hij zijn handen tegen het glas, totdat zijn krachten verslappen en hij langzaam wegzakt. “Eindelijk gerechtigheid,” zucht Grad. Hij schoudert zijn geweer, en loopt zonder verder nog een woord te zeggen van de onheilsplek weg. De achterblijvers kijken hem zwijgend na, totdat hij in het struikgewas is verdwenen. Het is de laatste keer dat ze de kluizenaar zullen zien. Sterker nog; niemand heeft hierna nog ooit iets van Grad Bussemaker gehoord.
Epiloog
Jaren later. Chris Smits duwt zijn oude vader in een rolstoel over het erf van ‘het Groenewoud’. Van de onverzettelijke herenboer van weleer is weinig over. Hij oogt nu als één brok miserie zoals hij daar in zijn stoel zit. Chris kijkt nog eens goed rond. Hier heeft hij samen met zijn ouders, broer en zusje gewoond. Hier is hij geboren en opgegroeid. Hier heeft hij gespeeld, gehuild, gelachen en gevochten. Hij ziet de koeien weer, grazend in de wei. Zijn vader en moeder, samen, zij aan zij. Dat is allemaal al lang voorbij. De boerderij zal binnenkort gesloopt moeten worden. Het einde van een tijdperk. Vader Smits is, na die dramatische zomer van 1946, nooit meer de oude geworden. De hele tragedie en de nasleep ervan heeft hem veranderd in een wrak. Het welvarende bedrijf, dat hij eens bestierde is in zwaar weer geraakt, en er is maar een schijntje van overgebleven. Moeder Els is er al eerder aan onderdoor gegaan. Het verlies van haar oudste zoon, die in het ziekenhuis is overleden aan zijn verwondingen, en de onherstelbare schade die dochter Eefje door de brute verkrachting van Sjef de Soete heeft opgelopen, zijn haar funest geworden. Eefje heeft nooit meer een woord gesproken en is uiteindelijk opgenomen in een inrichting. En Chris; hij heeft aangemonsterd als matroos op de wilde vaart. De hele wereld heeft hij gezien en veel meegemaakt. Maar dat is weer een totaal ander verhaal.

4 reacties
Esther Suzanna · 12 september 2015 op 21:29
Wat een vreselijk dramatisch einde… 🙁
Ik zou het graag achter elkaar lezen. Spannend en zeer geschikt naar mijn mening als script voor een film voor jongeren.
Thomas Splinter · 13 september 2015 op 22:57
Hartelijk dank. Dit is precies zoals ik het voor ogen had: Spannend en met drama. En die film, dat zal de toekomst uitwijzen.
Mien · 13 september 2015 op 22:35
Mooi verhaal met een treffend einde. De epiloog zegt genoeg. Graag gelezen. De hele reeks.
Thomas Splinter · 13 september 2015 op 22:59
Mooi. Daar is het met dit soort verhalen toch om te doen; proberen te boeien tot het einde. Gracias.