[i]Een verhaaltje over mijn buurvrouwtje[/i]

Ratu Batu noem ik haar, de koningin van de stenen, maar in feite heet ze Wayan.
Ze is pas 22, heeft een echtgenoot die 23 is en een dochtertje van drie, en ze werkt samen met haar man in de steenbakkerij tegenover mijn huis.
Steenbakkerij is een groot woord. Ze gieten zand en andere dingen in een gietvorm, kloppen er op, gooien het uit de gietvorm en laten het resultaat drogen onder de tropische zon. Om vijf uur ‘s morgens, zeven dagen op zeven, word ik wakker van haar geklop op de gietvorm. Pas om zes uur ‘s avonds houdt ze op met werken.
Haar man werkt even hard als zij en hun dochtertje loopt kraaiend de zandheuveltjes op en af.
Ze hebben geen keuken en geen potten en pannen. Al hun eten komt van de warung op de hoek van de straat. Daar halen ze een nasi bungkus, dat is een beetje rijst met wat groenten en een klein stukje kip en veel sambal, ingepakt in een stukje papier. Elke dag komt ook de soepman voorbij. Zwetend duwt hij zijn wagentje voort. Hij slaat met een stokje tegen zijn karretje om iedereen te laten weten dat hij soep verkoopt. De Koningin van de Stenen bestelt dan een bakso, dat is een groentensoepje waar ooit een kip heeft overgevlogen, dus er zit een beetje kippesmaak in.
Veel kledij bezitten zij niet. Als ik goed geteld heb, bezit de Koninging van de Stenen twee T-shirts, een paar sandalen en twee sarongs.
En toch, in die armoedige kledij is zij een schoonheid, een koninginnetje uit een sprookje dat nog niet geschreven is.
Huishuur betaalt het gezinnetje niet. Ze slapen in een hok achter de stenen en hun dochtertje slaapt ook in hun bed. De hele nacht brandt er een neonbuislamp die de stenen verlicht en ook wat schijnsel geeft in hun hok.
Elke middag wanneer de zon op haar tropisch warmst neerslaat wenk ik haar. Dan komt Ratu Batu naar mijn huis en schenk ik twee grote glazen frisdrank vol. Wanneer ze dan een glas in elke hand houdt kus ik haar op haar voorhoofd. Dat mag. Dat vindt ze leuk. Ze lacht dan zo’n glinsterende witte tanden glimlach en kijkt mij zo stralend aan dat er bliksems door mijn onderbuik schieten.
Soms, als ik iets teveel bier gedronken heb, kus ik ook achter haar oortje, daar waar haar slank nekje begint. Ook dat mag ik doen van haar.
Haar man zou er niet aan denken om haar zomaar een kusje te geven. Tederheid is hem vreemd. In bed neemt hij haar en valt dan in slaap. Tussen Balinese dorpsjongens en meisjes is er geen romantische passie, De man heeft een vrouw nodig, en ook voedsel en drank, en daarmee is de kous af.
Na die rituele kusjes trippelt ze voorzichtig, om niet te morsen, met een glas in elke hand naar buiten.
Haar man wuift naar mij voor hij het glas aan zijn lippen zet. Ook het dochtertje dat uit het glas van haar moeder drinkt wuift naar mij.
Dan beginnen ze weer te werken.
Ik zie haar gouden oorringetjes af en toe flitsen in de zon. Die ringetjes zijn haar enig fortuin. Ze heeft ze gekregen van haar man als bruidschat.
Haar lange pikzwarte haren heeft ze in een paardenstaart gebonden.
Ze stapelt de stenen op een hoop, met zwaaiende paardenstaart. Wanneer er al veel stenen op de stapel liggen moet zij zich rekken om toch nog een steen helemaal er bovenop te leggen met beide handen. Haar borstjes steken dan triomfantelijk naar voren. Haar goddelijk profiel hoort eerder thuis in een fries van de Boroboedoer tempel of op de catwalk van de supermodellen,
Achter het steenbakkerijtje ligt een groot rijstveld. Daar werkt een boer, een kleine pezige man met een enorme hoed op zijn kop, het soort hoed dat je altijd ziet in documentaires over rijstboeren of in oorlogsfilmen over Vietnam.
Ik zie die rijstboer wel eens door mijn straatje slenteren, zwetend, stinkend, moegewerkt en vroeg oud.
Ook hij ziet de Koningin van de Stenen elke dag en vorige week kookte hij over.
Het was al avond toen hij ruw zijn sterke ongewassen hand tegen de mond van Ratu Batu drukte en haar in het rijstveld trok.
Op dat moment kwam haar man terug van de warung waar hij hun avondmaal, nasi bungkus, had gekocht.
Hij sloeg de rijstboer de schedel in met een zware steen die zijn vrouw die morgen zelf gebakken had.
Ik had nooit gedacht dat er zoveel moed en waardigheid zat in die steenbakker. Toen de politie kwam ging hij trots mee, met opgeheven hoofd. Hij wuifde naar mij en glimlachte.
De rechtbank zal hem veroordelen tot twee jaar gevangenis maar hij hoeft niet met een hoop andere gevangenen in een enge cel te zitten en hij zal ook niet zoals de anderen veel slaag en luizig eten krijgen. En binnen zeven maanden is hij weer een vrij man. Dat is het akkoord dat ik heb bereikt na uren onderhandelen met de corrupte gerechtsdienaren die gretig mijn geld in hun zakken stoken.
Gisteren kwam Ratu Batu haar frisdrank halen. Ze glimlachte mooier dan Miss World en ze omhelsde mij nog voor ik haar glas gevuld had.


2 reacties

Kobus · 17 maart 2003 op 13:44

Vind het wel prettig om ook columns te lezen over situaties in andere cultuur. Ik hoop dat er meer volgen. Hoe kom je trouwens bij columnX terecht ?

Wayan · 22 maart 2003 op 04:19

Hoi Kobus,

Ik heb deze website toevallig ontdekt tijdens het surfen op het internet. Ik woon al 20 jaar in Indonesië maar ik ben een volbloed Antwerpenaar, geboren in Antwerpen, België, uit een Belgische Vlaamse vader en een Belgische Waalse (franstalige) moeder.

Bedankt voor je vriendelijke mail !

Geef een antwoord