Mijn God wat was hij mooi. Zijn lichtblonde haren bedekten in een speelse scheiding zijn hoofd. De wenkbrauwen waren iets donker en leken met een mathematische precisie op zijn symmetrische gelaat gekaligrafeerd. Hij had een krachtige kaaklijn die naadloos overging in de hoekige structuur van zijn jukbeenderen. De weke zachtheid van zijn blozende wangen vormde een paradoxaal vrouwelijk tegenaccent. Het meest kenmerkende waren zijn helle lichtblauwe ogen. De typische koelheid van het blauw vloeide over in een warmte, haast melancholisch, die je doorgaans bij bruine kijkers aantrof. Zijn atletische lichaam was schier volmaakt; gespierd, maar niet overdreven. Zelfs zijn knieën, de koppelstukken tussen zijn lange kousen en zijn korte broek, oogden perfect, alsof door de schepper zelf hoogstpersoonlijk geboetseerd.

Heinrich stond om half zes op. Hij kon zich dan ongestoord wassen, hoefde niet in de rij te staan om onder de koude waterstraal de slaap uit zijn lijf te spoelen. Hij maakte zijn bed op, streek ieder kreukje zorgvuldig uit de lakens en poetste routineus zijn laarzen, totdat ze glommen als een hondenkeutel in de maneschijn. Om stipt half zeven werd de vlag gehezen en stond een mars van een kilometer of tien op het programma. Een ontbijt dat je eigenlijk geen ontbijt kon noemen volgde: een droge homp roggebrood met wat lauw water, dat door een microscopische hoeveelheid cichorij de schijn van koffie moest wekken. Daarna begon het dagelijkse vervelen. Heinrich lummelde een beetje rond, speelde een spelletje kaart, maakte zijn Mauser nog maar eens schoon en doodde de rest van de tijd met wat gymnastiek. Er werd geen les meer gegeven. Heinrich was altijd een vlotte leergierige leerling geweest. Hij kon als geen ander feilloos een jood herkennen. Liefst twintig kenmerken waren in zijn hoofd geprent: van de hakige neus en de puntige kin tot de vorm van de vingers, nagels en handpalm. De Neurenberger wetten kon hij dromen.

De grauwe kazerne maakte een naargeestige desolate indruk. Zeker nu steeds meer barakken leeg waren komen te staan. Het wachten was op het moment dat ook Heinrich deze plek zou gaan verlaten. Waarschijnlijk naar het oosten. Naar Polen. Elke plaats was beter dan hier. Zijn kameraden fantaseerden over heldendaden aan het front. Die fantasieën gaven tenminste nog enige zin aan het kale wachten in dit troosteloze tussenstation. Heinrich deelde hun dromen niet. Hij had hele andere zaken aan zijn hoofd. Hij had een beeld in zijn hoofd. Een hardnekkig beeld. Het was het beeld van een mooie jongen. Bijna twee jaar geleden was het nu. In de zomer. Hij was met zijn vader, moeder en zusje in het noorden. Op het platteland. Daar had hij hem gezien, op het erf van de grote boerderij. Hun blikken hadden elkaar gekruisd. Even maar. Heel even. Een moment. Dat moment had Heinrichs leven voorgoed veranderd. Die blik van herkenning. Van [i]er[/i]kenning. Die volmaakte blauwe ogen die hadden gesproken: “Ik weet het, het is goed.”

De nacht na dat moment had Heinrich niet kunnen slapen. Het gezicht van de mooie jongen was telkens weer voor zijn gesloten ogen verschenen. En een knoop had in zijn buik gegloeid en een vreemde sensatie bij hem opgewekt. Was het nieuwsgierigheid? Was het verlangen? Was het een vertrouwd thuiskomen? En als dat dan zo was, waar was hij dan nieuwsgierig naar? Wat verlangde hij? Waar was zijn thuis? Deze vragen hadden hem in een verwarring gebracht die hem eigenlijk nooit meer heeft verlaten.

Zijn leven was sindsdien niet meer hetzelfde. De dreigende oorlog had hem het leger ingedreven, zoals bijna al zijn leeftijdgenoten. In enkele maanden was Heinrich klaargestoomd om Führer en Heimat te dienen. De training en scholing waren dermate intensief geweest dat er in zijn drukbezette dagen geen plaats was voor verwarde zondige gedachten aan een mooie jongen. Maar in de eenzame nachten des te meer.

En nu de verveling had toegeslagen was het beeld helderder en prominenter dan ooit aanwezig. Heinrichs hart werd erdoor verteerd. Hij wist dat hij eigenlijk zo niet verder kon. Hij kon zijn tweeslachtige gevoelens niet langer verloochenen. Hoe zou hij op een slagveld ergens ver weg een ideologie kunnen vertegen woordigen, die mensen met de twijfels die hij zelf had, verachtte? Twee jaar lang had Heinrich zijn gevoel geprobeerd weg te stoppen, weg te denken. Het was hem niet gelukt. Nu was het tijd om een daad te stellen. Nooit zou hij naar het oosten gaan. Nooit!! Hij moest die jongen weer zien. Ja, dat was wat hij moest doen. Hij moest naar het [i]noor[/i]den. Er leek zich iets van een vastberadenheid in Heinrich vast te klauwen. [i]Weg[/i] hier!! Naar het noorden!!

De volgende ochtend hebben ze hem gevonden, bungelend aan een touw aan de dakbint. Niemand heeft het ooit geweten.

Categorieën: Verhalen

Chris

Chris den Daas

6 reacties

LouisP · 10 maart 2010 op 18:34

chris,

ongelofelijk goed verhaal….in een adem uitgelezen….

L.

Ontwikkeling · 10 maart 2010 op 18:51

[quote]De wenkbrauwen waren iets donker en leken met een mathematische precisie op zijn symmetrische gelaat gekaligrafeerd.[/quote]
Prachtig!
Dit verhaal is ook gekaligrafeerd.. mooie zinnen, als lezer wil je weten hoe het afloopt, tot je weet hoe het afloopt. Kippenvel!

Fem · 10 maart 2010 op 19:41

Poeh… sterk!

Avalanche · 10 maart 2010 op 23:05

Indrukwekkend, naamgenoot!

SIMBA · 11 maart 2010 op 07:57

Mooi verhaal.

Dees · 11 maart 2010 op 12:12

Het einde komt mij iets te zeer uit de lucht vallen (bungelen, wellicht). Maar ik vind het ook een erg mooi verhaal.

Geef een antwoord