‘Kom je kijken naar mijn hut? Ga je mee? Het is vlakbij. Mijn poppen zijn er ook. Ik weet zeker dat het mag. Kom. Ga je mee? Geef me maar een handje.’

De weg ernaartoe is lang, kronkelig en veel te donker voor de tijd van het jaar. De lampen van mijn Volkswagen met het kenteken op blauw metaal en witte letters zet ik aan zodra ik het pad op draai dat het bos in gaat, even van de snelweg af. Het is een automatisme geworden na al die tijd, net zoiets als het uittrekken van je schoenen als je thuiskomt en ze netjes onder de kapstok zet. Het is eind september. De zon schijnt niet, en als dat wel zo was dan was ze sowieso niet sterk genoeg geweest om door het nu nog dikke bladerdek heen te schijnen. Het zicht op het pad is belabberd. Ik vloek een paar keer en tactisch rijd ik mijn oldtimer om de kuilen heen, bang dat de assen het begeven als ik er ook maar één over het hoofd zie. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik een taxi terug moet nemen en de auto waar ik zo van houd moet laten staan, op de plek waar mijn broer nu al een jaar en tweeënzestig dagen woont.

Het ligt er prachtig. Ver genoeg van de normale wereld, verscholen tussen eiken, berken, kastanjes en varens. Als je niet weet wat het is lijkt het nog het meest op een duur kuuroord achter een huizenhoog hek.

De stem uit het kastje aan de poort laat me door en de knisperende grijze kiezels onder de banden van de enige echte liefde in mijn leven op dit moment, kondigen mijn aankomst aan in dit serene oord. De auto staat in zijn eerste versnelling en op de handrem en ik kijk naar mezelf in de achteruitkijkspiegel. Lippenstift. Zonder ga ik de deur niet uit maar Mick heeft een hekel aan opgepoetste vrouwen, zoals hij ze noemt. Uit het pakje dat netjes, naast mijn telefoon en agenda, in mijn zorgvuldig georganiseerde handtas ligt gris ik een papieren zakdoekje. Ik krijg niet alles weg en mijn mond ziet eruit alsof ik net nog kersen heb gegeten. Geheel tegen mijn gewoonte in stop ik de donkerrood besmeurde tissue in het zakje van mijn zwarte colbert. Straks gooi ik het weg, in de eerste prullenbak die ik tegenkom in kliniek Significantus Vitae, die iedereen hier de SV noemt.


11 reacties

Mien · 24 oktober 2017 op 07:46

De reactie moet ik nog bedenken. 😉

Mien · 24 oktober 2017 op 07:47

Hebbes.
Titel: Dat gaat naar het bos toe.
Reactie: Intrigerend.

Arta · 24 oktober 2017 op 11:36

Jaaaaa, er ligt een heel boek onder de oppervlakte!
Mooi!

Robert · 24 oktober 2017 op 15:02

Het is de openingszin, Kaat, die het verhaal direct de nodige actuele suspense meegeeft. De titel wordt gemaakt door de afloop; die kun je nog niet weten, want je nog niet binnen geweest … immers … als je er bent geweest … dan …

Nummer 22 · 24 oktober 2017 op 18:28

Mooi .. titlel idee ‘ Ik hou van jou!’

Karen.2.0 · 24 oktober 2017 op 18:35

@Mien: Titel: ik laat het nog maar even voor wat het is 😉 Reactie: fijn! 😀
@Arta: Daar moet het inderdaad naar toe, het begin is er in ieder geval, dank je!
@Rob: die titel kom idd vanzelf wel, het verhaal kan nog alle kanten op. Het borrelt en bruist in het hoofd!
@22: Die sla ik op, thnx!

Ik zal nog 2 stukjes uploaden, gezien mijn voornemen zijn ongezouten kritiek/tips/trucs welkom, daar heb ik het meest aan, dank voor jullie reacties! X

Nummer 22 · 24 oktober 2017 op 23:37

Ik kijk er verlangend naar uit.

NicoleS · 25 oktober 2017 op 17:34

Ik ken het nog. Mooi hoor?

Esther Suzanna · 26 oktober 2017 op 13:30

Ik ben benieuwd, goed begin! 🙂

Geef een reactie

Avatar plaatshouder