Omdat de sneeuw in ons wintersportoord door de zomerse temperaturen van maart ook als sneeuw voor de zon verdween, besloten wij een driedaags uitstapje te maken naar de Oostenrijkse hoofdstad Wenen. Het was ons vierde bezoek aan Wenen. Bij een wandeling voor de stad komen wij altijd weer voorbij de prachtige Stephans-dom in het centrum van de stad. Omdat het er barst van de toeristen, is het plein voor de dom de plek waar in livrei gestoken neplakeien met blonde pruiken ons kaartjes proberen te verkopen voor de concerten tweederangs orkesten. ‘Daar heb je Wilders’, zei ik tegen mijn eega, die onmiddellijk een blik van herkenning met mij wisselde. ‘Er zijn wel tien Wilderssen’, moesten wij vaststellen. ‘Wat was er eerder de kip of het ei; Geverfde Wilders of de blonde lakei?’ Het is niet te zeggen, maar in alle gevallen heeft het iets te doen met besmettingsgevaar. Die gedachte vond ik onaardig, dus besloten wij Wilders in gedachten mee te nemen naar Figlmüller, het beste Schnitzelrestaurant van Oostenrijk, in de nabijgelegen Wollzeile. Wij zaten gedrieën achter de grootst mogelijke schnitzel en een glas Weizenbier van grote klasse, toen ik Wilders het volgende verhaal vertelde.

In april 1969 kwam mijn echtgenote Arja, toen nog mijn vriendin, voor het eerst naar Nederland. Ik wachtte haar met rode konen van opwinding op in de aankomsthal van Schiphol. Het duurde even voor zij verscheen, want het paspoort van het ‘jong ding’ op reis vanuit Finland, buurland van het ‘ijzeren gordijnige’ Rusland, werd binnenstebuiten gekeerd en voorzien van een dikke datumstempel. ‘Die man vroeg of ik me even bij de vreemdelingenpolitie in Hilversum wilde melden’, vertelde mijn geliefde. Dat was de eerste keer na haar komst dat mijn nekharen recht overeind kwamen te staan. Daarna gingen ze lange tijd nauwelijks meer naar beneden.

De vreemdelingenpolitie was eerst een ‘vriendelingenpolitie’. Heel behulpzaam. Als ze maar binnen drie maanden het land weer uit ging. Een verblijfsvergunning kon alleen worden aangevraagd in Helsinki; ‘en dan kan ze meteen weer terug komen’. Precies na drie maanden moest zij het land uit. We kozen het luchtruim vanaf Schiphol en bezegelden onze bedoelingen met een verloving op de helft van de reis naar de Finse Hoofdstad. Wij spoedden ons aldaar direct naar het Nederlands Consulaat om de vereiste vestigingsdocumenten ‘even op te halen’. Vriendelijk maar duidelijk werd ons medegedeeld dat het aanvragen van een verblijfsvergunning in Nederland drie tot zes maanden zou gaan duren. Dat kon je een verliefd stel toch niet aandoen?! In de eerste plaats moest ik een document invullen waarin ik verklaarde voor de kosten van onderhoud van de aanvraagster garant te zullen staan. Klaar toch? Nee, o nee, mijn werkgever moest daarop verklaren dat ik daartoe voldoende salaris in mijn loonzakje ontving. En zo kwam de ene eis na de andere tevoorschijn. Op de luchthaven van Helsinki namen wij verdrietig afscheid voor een periode die ons ‘een eeuw’ leek.

Als het nodig is, ben ik een drammer. Direct ik trok naar de vreemdelingenpolitie in woonplaats Hilversum en daar van leer. ‘Ze mocht niet mee!’, was mijn verwijt. Jammer een vergissing in de communicatie. Men zou te zijner tijd via Den Haag een formulier krijgen en dan zou men positief reageren. Maar, dan moest ik er wel voor zorgen dat ze werk had. Werk had? ‘Werk krijg je toch alleen als je een verblijfsvergunning hebt? ‘Correct meneer, maar dat is uw zorg’. Zo liep ik weken lang van hot naar haar, tot ik uiteindelijk mijn woede mocht uitstorten bij een allervriendelijkste hoge ambtenaar van het ministerie van buitenlandse zaken in Den Haag. De man schaamde zich voor het gebeurde, nodigde Arja uit direct te komen, lichte de Marechaussee op Schiphol in over vlucht en tijdstip van komst en zegde een spoedige afhandeling van de verblijfsvergunning toe. Verheugd sloten wij elkander op Schiphol in de armen, maar daarmee lag de gebruiksvergunning nog niet op tafel.

Een alleraardigste personeelschef van Philips in Hilversum, van der Linden genaamd en nooit meer door mij vergeten, hoorde het malle verhaal aan en nam Arja ‘clandestien’ aan, zonder verblijfsvergunning. Die volgde!!!! Eerlijk waar, zes maanden later. Hij werd plechtig voorgelezen door de hoofdagent van de vreemdelingenpolitie. Mij viel daarbij direct op dat de einddatum van de verblijfsvergunning inmiddels twee weken was verstreken. Wat nu? ‘Ja, Juffrouw Kosonen zal het land formeel gezien direct moeten verlaten. De verlenging is te laat aangevraagd’.
Beste Geert, het was dat wij drie weken later in het huwelijk traden, anders had het circus zich nog lang voortgezet. Dat ze mocht blijven, moesten wij nog zien als een gunst ook!
‘Juffrouw Kosonen’, werd na haar huwelijk Nederlandse. Van de Finse nationaliteit zag zij af, hoewel een dubbele nationaliteit tot de mogelijkheden behoorde. Wij wilden elke mogelijkheid van ‘ellende’ uitsluiten.

Wilders heeft mij het gehele verhaal zonder interruptie laten vertellen, keek toen op naar ‘Juffrouw Kosonen’, wees op haar en sprak ‘Dit kan niet waar zijn. U, jij? Helemaal geen accent, helemaal Nederlands, één paspoort, blond en niet dom. Ik geef je een verkiesbare plaats op mijn lijst voor de eerstvolgende tweede kamerverkiezingen. De joker van Wilders: een modelallochtoon for minister-president!’
‘Zoek voor mij maar een ander’ sprak de kandidaat Minister-president. ‘Als ik in het land dat mijn nieuwe thuisland werd wat anders was ontvangen, dan had ik ergens in een lade ook nog een Fins paspoort gehad, met niet meer dan een klein emotioneel lijntje naar het land waar ik geboren ben. Als kandidaat zou ik geen draad anders zijn. Vertel ons nu maar liever waarom u op een niet verkiesbare plaats voor de Weense Dom staat’.
‘Voor de lol’, sprak de namaak-Mozart verbouwereerd. ‘Morgen zit ik weer in de Kamer’.
Voor hij snel wegliep om zijn plek voor de Dom weer in te nemen, drukte ik hem een gesloten envelop in de hand. ‘Als dank voor het gesprek. Thuis openmaken.’, kon ik nog maar net toevoegen.

‘Wat heb je dat domme blondje gegeven?’, vroeg Hare Excellentie.
‘Een geheel onverzorgde voetreis naar Wenen, met een verblijfsvergunning voor 100 jaar’.

Ons bezoek aan Wenen was weer geslaagd.


Hans Schoevers

Flashbackpacker. Schrijver van columns; dikwijls met een knipoog naar vroeger. Tot december 2017 ook actief geweest als zanger/entertainer. Elts sprekt fan myn sûpen, mar nimmen fan myn toarst.

6 reacties

arta · 16 maart 2007 op 23:11

Met plezier gelezen!
Leuk hoe je Wilders in je verhaal verweefd.
Eén puntje: Enkele zinnen lopen wat minder lekker, en een stuk of twee slordigheidsfoutjes.(door het over te lezen makkelijk te voorkomen)

Tegenwoordig moeten verliefden een inburgeringscursus in het land van herkomst volgen. Duur: 9 maanden!!!

SIMBA · 17 maart 2007 op 07:54

Wat een leuk verhaal!
[quote]De vreemdelingenpolitie was eerst een ‘vriendelingenpolitie’[/quote] 😀

KawaSutra · 17 maart 2007 op 18:09

Een prettig leesbaar verhaal. Een beetje ingebonden zou de kern van het verhaal beter overbrengen denk ik. Maar je hebt een prima schrijfstijl.

pepe · 17 maart 2007 op 19:42

Eerst dacht is deze column is best lang, tot ik besloot hem toch te lezen.

Mooi verhaal.

Herkenbaar ook het stukje: ‘Maar, dan moest ik er wel voor zorgen dat ze werk had. Werk had?’ ‘Werk krijg je toch alleen als je een verblijfsvergunning hebt?’
Het is en blijft een kromme eis.

Vlinderman · 17 maart 2007 op 19:53

Blij je hier terug te vinden. De column staat er weer, al ben je nogal over je toetsenbord gevlogen hier en daar 🙄

Succes op de site en tot binnenkort alweer :wave:

groet,

Frans V.

pally · 18 maart 2007 op 14:16

Leuk verhaal! Ik heb al eerder geconstateerd dat je een goede schrijfstijl hebt. Wel wat aan de lange kant en wat minder lopende zinnetjes er tussen, maar dat is al gemeld.
Ik lees je graag,

groet van Pally

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder