De zon schijnt en zorgt voor een aangenaam temperatuurtje. De zomer is weer aangebroken. Gelukkig, want ik heb een hekel aan winter, koude en nattigheid. Juist als ik een wandeling wil gaan maken, komt de postbode om de hoek gefietst. Hij stopt, haalt een envelop uit de posttas en geeft deze aan mij. ‘Geen goed bericht, ben ik bang,’ zegt hij nog en maakt rechtsomkeert. De envelop heeft een zwarte rand; een rouwkaart. Nieuwsgierig maak ik de envelop open. Het is een uitnodiging voor de begrafenisuitvaart van een neef van mijn vader; Wilbert. Ik heb hem nauwelijks gekend, deze Wilbert. Er zit tevens een kaartje bij voor de koffietafel. Een beetje raar vind ik het wel.

Mijn verwachting is, dat het niet druk zal worden op de begrafenis en inderdaad, het is een klein gezelschap waarin ik enkele dagen later terechtkom. Op de kist van oom Wilbert staan drie foto’s; van hemzelf, zijn vrouw Myra en zoontje Richard.

Mijn vader heeft het verhaal wel eens verteld. Vijftien jaar geleden woonde Wilbert met zijn gezin in Brazilië. Tijdens een binnenlandse vlucht met diens privé vliegtuigje, ging het faliekant mis. Aan boord van het vliegtuigje waren aanwezig Myra en Richard, die toen vijf jaar was en een piloot. De machine stortte neer, ergens in Mato Grosso, een provincie in het oosten van Brazilië. Ondanks diverse speurtochten werd er helemaal niets teruggevonden van het toestel en het drietal. Wilbert raakte hierdoor volkomen de kluts kwijt. Na verloop van tijd besloot hij zijn nering te verkopen en naar Nederland terug te keren, waar hij zich als een kluizenaar terugtrok van alles en iedereen.

Nu ligt hij hier voor mij, in een kist. Na de dienst, tijdens de koffietafel, komt er iemand van de familie naar mij toe. Hij stelt zich voor als Tom, de beheerder van oom Wilbert’s nalatenschap. Daar is volgens hem per saldo niet veel meer van over, van die nalatenschap. ‘Waar heb ik de uitnodiging eigenlijk aan te danken?’ vraag ik aan hem. ‘Vlak voordat hij overleed ben ik nog bij oom Wilbert geweest en hij vroeg aan mij om jou specifiek op zijn begrafenis uit te nodigen. Vandaar.’ legt Tom uit. ‘En ook verzocht hij mij om jou deze correspondentie te overhandigen.’ Hij geeft mij een pakketje en vraagt meteen of ik er überhaupt wel in geïnteresseerd ben. ‘Anders wordt het weggegooid,‘ beweert hij. Oom Wilbert was niet echt het populairste familielid, dat heb ik inmiddels wel gemerkt. ‘Misschien kan je uit deze paparassen nog een artikeltje peuren, wie weet. Jij werkt toch voor dat blad; Ex-press, is het niet?’ Ik kijk eens rond, maar niemand anders van het gezelschap wenst er zich verder mee te bemoeien. ‘Okay,’ zeg ik en neem het pakketje van hem over en neem het gelijk mee naar huis. Daar gooi ik het stapeltje meteen in een kast, om later nog eens op mijn gemak te kunnen doornemen.

Zodra ik weer wat tijd over heb, begin ik in het bundeltje documenten te grasduinen. Er zitten enkele krantenknipsels tussen en ook een brief van de Nederlandse ambassade in Brazilië, ongeopend. Die zal Tom wel over het hoofd hebben gezien, vermoed ik. Of genegeerd misschien, dat zou me niets verbazen. Het schrijven gaat over Richard, de zoon van oom Wilbert, die vijftien jaar geleden bij de vliegtuigcrash om het leven is gekomen. Tenminste dat werd toentertijd aangenomen, maar nu schrijven ze van de ambassade, dat de kans bestaat dat hij nog in leven is! Ze hebben op de ambassade bezoek gehad van César, een of andere avonturier die geruime tijd bij diverse indianenstammen in de oerwouden van Mato Grosso heeft gebivakkeerd. Bij een van die stammen heeft hij een blanke gast ontmoet, ene Richard. En nu meenden ze bij de ambassade, dat aan de hand van de verhalen van die zwerver is op te maken dat dit wel eens Richard, de vermiste zoon van onze oom Wilbert zou kunnen zijn.

Wordt vervolgd


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

0 reacties

Geef een reactie