Voorafgaand: Op de begrafenis van oom Wilbert krijg ik een schrijven in handen van onze ambassade in Brazilië. Een verongelukte verre neef zou nog in leven kunnen zijn. Met de vagebond César ga ik op zoek naar deze Richard, in de jungle van Mato Grosso. Daar vinden we hem bij een Indianenstam, volledig geïntegreerd en met partner, gezond en wel. ’s Nachts droomt Richard over de vliegtuigcrash en zijn moeder.

De volgende dag praten we verder met Richard. ‘Is er iemand die weet waar het vliegtuig van je ouders is neergestort?’ vraag ik. Richard staat op, loopt naar buiten en roept er een of ander opperhoofd bij. Na wat gepalaver over en weer, komen ze blijkbaar tot een besluit en ‘morgenvroeg vertrekken we,’ is alles wat Richard daarop zegt.

Voor dag en dauw gaan we samen op pad; Richard, César, het opperhoofd en ik. Na een tocht van uren door de rimboe en bushbush, komen we bij een totaal overwoekerd vliegtuigwrak aan. De chief wijst mij er specifiek op met zijn machete en ik ontcijfer de naam op het toestel; het is inderdaad de Flying Spider van oom Wilbert. Eindelijk, na al die jaren is het mysterie opgelost. In de cockpit treffen we de stoffelijke resten aan van moeder Myra en de piloot. Voor Richard is het onmiskenbaar een emotioneel moment. We nemen er rustig de tijd voor, maar uiteindelijk beginnen we toch met het bijeengaren van botten en beenderen. Deze bergen we separaat op in speciale bags en nemen daarna wederom een ruime break. Zodra iedereen goed is uitgerust, marcheren we terug naar het dorp.

Tegen de avond komen we daar aan en meteen vormen de Indianen een soort van erehaag, om ons met gepast respect te onthalen. Vervolgens worden er twee houtstapels opgericht en daarop de bags met overschotten neergelegd. Als alles klaar is, steekt Richard met gevoel voor ceremonie de stapels in brand. Samen met de stamleden vormen we een kring en de natives neuriën een lied. Naderhand wordt de overgebleven as op hoopjes geveegd en in twee urnen gestopt. Voor Richard zijn het alles bij elkaar twee bewogen dagen geweest. Het is goed om te zien hoe zijn Mitaya, zo jong als ze nog is, hem hierbij steunt, door dik en dun.

Enkele dagen later. We nemen afscheid van de Indianenstam en vertrekken met z’n vieren: César, Richard, Mitaya en ik. Weer moet de rivier worden overgestoken, weer met hetzelfde bootje en met dezelfde visser; Marco. De gast heeft direct in de gaten dat we allemaal iets hebben om over na te denken, want hij houdt zich nu gedeisd. In het nederzettinkje aan de overkant vinden we de jeep terug die César en ik daar eerder hebben achtergelaten.  Vol goede moed hobbelen we even later weer terug naar Cuiabá, de hoofdstad van Mato Grosso.

Onderweg komen we in het dorp aan, waar we op de heenweg de liquidatie van de onfortuinlijke valsspeler van nabij mochten meemaken. We stappen uit de jeep en Richard loopt direct naar de boom, waaraan de oplichter enkele dagen daarvoor werd vastgebonden en in brand gestoken. Er is verder niets meer te zien daar. Richard legt zijn hand op de stam en; ‘Het is hier niet pluis!’ verklaart hij bij terugkomst. ‘We blijven alleen voor brandstof en het aanvullen van de voorraad,’ beloofd César.

Bij de winkel is niemand aanwezig. Op de deur hangt een bordje: Estou no salão. ‘Die zuipschuit zit weer in de saloon,’ legt César uit. Terwijl Richard en Mitaya buiten blijven, want die hebben het niet zo begrepen op het gajes daarbinnen, lopen César en ik het café binnen. Daar treffen we zo ongeveer hetzelfde gezelschap aan, als op de heenreis. César zoekt en vindt de winkeleigenaar en loopt met hem weer terug naar de winkel, terwijl ik een belletje pleeg met mijn baas. Vanuit het café zie ik hoe César snel zijn inkopen in de jeep gooit terwijl de winkelier de tank van de jeep laat vollopen. Als ze weer in de richting van het café komen, wil ik alvast naar buiten lopen, maar dan botst een zatlap tegen mij op.

Wordt vervolgd

 

 


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

0 reacties

Geef een reactie