Alles was klaar: fietsen achterop de auto, broodjes gesmeerd, gîte schoon en de nieuwe huurders in ons Alpenhuisje geïnstalleerd. Zelfs de zes mini-fuchsiaatjes, die door echtgenoot net voor de vakantie waren gestekt en dus mee moesten om hun overlevingskansen te vergroten, stonden bewaterd op de hoedenplank. Kortom we konden vertrekken. 

Binnen in huis geef ik mijn ouders al een dikke knuffel om te voorkomen dat de kat ontsnapt bij een afscheid op straat. Als we op weg naar de auto zijn bedenkt echtgenoot plots dat hij onze huurders toch nog even gedag wil zeggen en ondanks mijn protesten, die ergens machteloos in het trappenhuis blijven hangen, loopt hij terug.

Dat had hij beter niet kunnen doen.

Na een eeuwigheid wachten met mijn jongste zoon en de kat in een auto die vol in de zon staat, gebarend door het autoruit naar mijn ouders dat ik ook niet snap waar hij blijft, slaan opeens bij mij alle stoppen door. Ik storm de auto uit, kat geschrokken bij zoon op schoot, en stuif al briesend en brullend het trappenhuis in. Boven gekomen sluit mijn levensgezel net de voordeur achter zich en krijgt van mij ongecontroleerd een hele beerput vol bagger over zich heen. 

Alleen even gedag zeggen gaat natuurlijk niet als nieuwe huurders zich net aan het installeren zijn. Dan willen ze op het laatst toch nog even van alles weten, hoe de televisie werkt bijvoorbeeld, en dan kan je moeilijk zeggen: “Zoek het lekker zelf uit met je televisie, mijn gezin raakt oververhit.” Nee natuurlijk kan je dat niet zeggen, maar oververhit, dat was ik.

Met onweershoofden zwaaien we mijn ouders uit en in woeste stilte rijden we de berg af. Halverwege probeer ik mijn redelijkheid terug te vinden, maar raak ik van oververhit steeds meer onderkoeld, want echtgenoot zet de airco lager en lager. Wat nu weer?

De koeling aan de bestuurderskant blijkt het te hebben begeven. Bij mij wordt het steeds kouder, maar hij aan het stuur blijft puffen van de hitte met de zon pal op zijn raam. Samen met zijn pijnlijke rug die hem al dagen parten speelt en het kattengejank op de achterbank zijn het geen ideale omstandigheden voor het hervinden van een ontspannen sfeer tijdens deze terugreis. Zelfs die hele kleine schattige bloemknopjes die de stekkies van de fuchsia op ons Alpenbalkon hebben gekregen (hij doet het best op ’t balkon) kunnen de lucht niet klaren.

We zijn bijna in Montpellier om de oudste zoon op te halen als onze slechts half gekoelde auto opeens nauwelijks nog vooruit komt. De snelheidsmeter geeft een steeds lagere snelheid aan en bij het beklimmen van een helling ontstaan er lange files achter ons. Alle vermogen is weggevallen. Als we eindelijk de plek bereiken waar zoon staat te wachten hopen we, dat als de motor een tijdje afkoelt, het euvel vanzelf weer oplost, maar daar is het de dag niet voor.

De spanning is inmiddels om te snijden en als echtgenoot telefonisch ons kenteken doorgeeft aan de verzekeringsmaatschappij, elke letter keurig met een voornaam aanduidend om misverstanden te voorkomen krijg ik heel kinderachtig de slappe lach als hij bij de laatste letter Q (dat in het Frans klinkt als kont) even geen naam weet te bedenken en de letter dan maar luid en duidelijk in de hoorn tettert. Tranen lopen over mijn wangen en echtgenoot moet met al zijn sensoren op zijn telefoon blijven focussen om te horen wat er gezegd wordt.

De verzekeringsmaatschappij vraagt ons om de auto naar een garage te rijden en dat lukt. Met een tussenstop bij de supermarkt voor een poezenreismand komen we stapvoets bij een Citroëngarage aan die nog net een paar minuten open is. We hebben recht op vervangend vervoer binnen onze polis en we zijn toevallig omringd door autoverhuurbedrijven, maar de verantwoordelijke ziet ons liever eerst thuis gebracht met een taxi (200 km), om daar dan in de buurt een leenauto te regelen. Rare jongens die Fransen.

Gelukkig mogen we onze fietsen en rek bij de garage stallen, maar er blijft evengoed heel wat bagage over en al heeft echtgenoot drie keer teruggebeld dat het een grote taxi moet zijn, de taxichauffeur die een uur later uit zijn Volkswagen Touran stapt schrikt zichtbaar als hij het hele zooitje ziet. Eerst schudt hij beslist zijn hoofd, er zeker van dat het niet zal passen, maar dan ontdekt hij dat de vijfde persoon, die hij telefonisch had doorgekregen, een kat blijkt te zijn en gaan we het toch proberen. Alles gaat, met wat passen en meten, in de bagageruimte en de poes (die zich miraculeus rustig houdt) kan er in haar reismandje nog bovenop. Naast de fuchsia’s. 

Na een rit van twee uur, rijden we uitgevloerd ons dorp binnen. Op de teller staat € 483,10, een bedrag dat we goddank niet zelf hoeven te betalen, maar ons wel doet vergeten dat een fooi best op zijn plaats zou zijn, na zo’n reis. Een espressootje bieden we de goede man aan en een appeltje voor onderweg. Rothollanders.

Inmiddels staat er een blauwe leen-Nissan Micra voor de deur. Buiten regent het, de stekkies van de fuchsia zijn blij …

Het is een makkelijke plant.

Categorieën: Gein & Ongein

Dorine

Ontwerper van huisjes en interieurs in Frankrijk en een simpele plezierschrijver over gebeurtenissen en -nisjes uit het dagelijks leven.

5 reacties

Nummer 22 · 13 juli 2019 op 08:52

Foutje… Nissan Micro en dat wordt nog.. proppen, stouwen, zuchten, persen en…. merde..of?

Suus · 13 juli 2019 op 15:33

Heerlijk dat einde, je denkt dan komt de klapper. Ik hou er van!!!!!

Mien · 13 juli 2019 op 15:54

Poe, Puch, Puchsia

Geef een reactie