‘Wat is er met je verhalen gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ik zie je nauwelijks nog een woord op papier zetten de laatste tijd.’
Ik staarde naar een grijze lucht. Er was niets te zien, dus wat viel er in godsnaam nog te zegggen.
Onderzoekend keek ze naar het asfalt. ‘Was het niet zo dat iedere straat die jij betrad bevlekt was met duistere poëzie?’
Ik rilde. ‘Die tijd is voorbij. De straten zijn nu alleen nog bevlekt.’ [i]Ik liep door de nacht…

Ik wankelde, rende…

Het is vrijdagnacht en…

Mijn ziel is gespleten…

Ik wankelde, rende…

Het is vrijdagnacht en… [/i]

‘…en toch geloof ik dat je het nog in je hebt’ sprak ze aanmoedigend. ‘Elke schrijver gaat wel eens door een periode als deze.’
Ik zuchtte. ‘Iedere dag stapelen de woorden zich op als een kaartenhuis, en aan het eind van de dag is er iedere keer van datzelfde kaartenhuis niets meer over. Ik zie verhalen die hadden kunnen zijn. Fundamenten, niets meer.’

[i]‘Het is het hart dat het eerst geraakt wordt.’

‘Moordenaar! Moordenaar!’

‘Ik heb een krankzinnige moeder die ik niet alleen kan laten.’

‘Echt niet. Ik zal je nooit alleen laten.’

‘Moordenaar! Moordenaar!’

‘Het is altijd het hart dat het eerst geraakt wordt.’[/i]

‘Onzin’ zei ze. ‘Hij is deel van je onderbewustzijn. Waar jij bent is hij. Het enige dat je belet daar te komen zijn de deuren er naartoe die jij stuk voor stuk zelf systematisch hebt afgesloten. En jij hebt de sleutels, nietwaar?’

Ik aarzelde. Ik wilde hem alleen maar naast me hebben, als een mentor, trouw en inspirerend. Maar tegelijkertijd was er die andere kant van zijn persoonlijkheid. Een kant die dwingend was, mij verstikte en mij geen moment de kans gaf om tot mezelf te komen.

En dat alles in het teken van het schrijven.
Dat alles in het teken van die eeuwige verhalen.

[i]Stokstijf bleef ik voor hem staan.
‘Kom je mee?’ vroeg hij. Hij was nauwelijks veranderd en toch had ik moeite hem te herkennen.

Ik aarzelde. ‘Waar wil je me mee naartoe nemen?’
Met zijn geringde vinger wees hij naar talloze ramen. Sommige donker en andere verlicht.
Met kloppend hart drukte ik me tegen een muur. Ik telde de vensters; vensters die dichtbij leken, maar tegelijkertijd onnoemelijk ver weg waren.
‘Wat wil je?’ vroeg hij.
Mijn wangen gloeiden.

Schrijven, dacht ik. Maar in plaats daarvan zei ik niets.[/i]

‘Weet je’ zei ik somber. ‘Ook dit is weer één grote herhalingsoefening. Dit is de zoveelste keer dat ik Troy in een verhaal heb laten terugkeren. Dit voegt helemaal niets toe.’

Ze lachte. ‘Jezelf herhalen is geen crime. En je boekt vooruitgang. Noem dit ‘Het verhaal dat had kunnen zijn’ en ga dan verder met verhaal dat er al is.

‘En koop nu eindelijk een een nieuwe pen. Zo te zien is je inkt bijna op.’

Categorieën: Fictie

6 reacties

Prlwytskovsky · 6 september 2008 op 10:09

[quote]Het is vrijdagnacht en…[/quote]
Probeer eens een zondagnacht?

Gestapelde woorden, flarden van tekst. Ja Troy, het is een kwestie van op het juiste moment je veter klaar hebben liggen om de zaak aan elkaar te rijgen.
Dat kan even duren maar dan heb je ook wat. 😉

lisa-marie · 6 september 2008 op 15:23

Dit kaartenhuis staat in elk geval.
Hoe je deze twee lijnen weer in elkaar weeft tot een geheel daar krijg ik nou kippenvel en rillingen van.
Het is ook zo’n open en ontroerend stuk, ik hoop dat je inkt nog lange na niet op is en van nog vele mooie schrijfsels mag genieten.

pepe · 7 september 2008 op 09:34

Ik vind hem super, ook zo hrknbr. 😉

Mooi dat je dit proces zo op papier hebt gezet.

pally · 7 september 2008 op 12:19

Mooi en apart bescheven, deze worsteling met je schrijverschap. Maar als je het zo weet weer te geven, dat het schrijven op zich is, hoef jij je niet ongerust te maken, Troy!

groet van Pally

Mup · 7 september 2008 op 12:55

Met een eindzin die je meteen weer met beide benen op de grond terugzet,

Groet Mup.

arta · 7 september 2008 op 19:18

Bijzonder stuk!
🙂

Geef een antwoord