Kort daarvoor heeft een vrachtwagenchauffeur pech gekregen op een B-weg in de buurt van het kasteel. Hij heeft zijn truck half op de weg laten staan en onverlicht achtergelaten. In de stromende regen is hij naar een nabijgelegen boerderij gewandeld, om hulp te vragen.
Maar dan; als de blauwe Ascona van Trespa met volle snelheid de B-weg inrijdt, boort die zich frontaal in de fout geparkeerde tankwagen! Karst, de chauffeur, ramt met zijn dikke kop de voorruit van de Ascona aan gruzelementen, belandt op de motorkap en blijft daar geheel voor Pampus liggen. Maurice heeft alleen wat schaafwonden opgelopen. Jenny’s arm is uit haar mitella geschoten. Zo lomp als hij kan trekt Maurice Jenny de wagen uit. Ze schreeuwt het uit van de pijn. “Lul!” roept ze. Vanuit de gecrashte wagen komt een sissend geluid. Maurice duwt Jenny voor zich uit, een berm in en springt haar achterna. Net op tijd, want de auto vat vlam, explodeert, waarop de tankwagen, tot de nok toe gevuld met aceton, ook in brand vliegt. Een vlammenzee van Apocalyptische omvang is het gevolg. Maurice trekt Jenny vervolgens weer uit de berm, en sleurt haar met zich mee. Ze komen aan bij de boerderij, waar de chauffeur van de tankwagen, samen met de boer en boerin op het erf staan te kijken naar de gigantische vuurzee die zich voor hun ogen ontwikkelt. Ze staan zich te vergapen aan het ongelooflijke schouwspel, en schrikken als ze het tweetal vanuit het inferno zien verschijnen. Als ze willen helpen, brengt Trespa hen, zwaaiend met zijn pistool, rap op andere gedachten.
Snel kijkt de proleet rond en ziet dat de boer nog een oud, maar puntgaaf Renaultje in de open veldschuur heeft staan. Onder bedreiging van zijn vuurwapen dwingt hij de boer om hem de autosleutels te bezorgen. “Instappen, kreng!” beveelt Maurice. Maar Jenny rukt zich los en rent weg. “Hier blijven,” schreeuwt Trespa, die door het dolle heen is, en in de lucht schiet. Jenny valt ter plekke stil en krimpt angstvallig in elkaar.
Enkele minuten daarvoor ben ik, met de twee politieagenten, bij de brandende vrachtwagen aangekomen. De vuurzuil heeft ons weer op het goede spoor gebracht. Vanaf onze plek, zien we Trespa, Jenny en het overige gezelschapje op het erf van de boerderij staan. Een van de agenten blijft met de politiewagen bij het brandende vehicle, en roept versterking op. Samen met de andere agent ren ik naar de boerderij. Juist op het moment dat Trespa dreigend naar Jenny loopt, arriveren wij op het terrein. De politieagent trekt zijn dienstpistool en waarschuwt: “Stop, of ik schiet!” Trespa reageert als door een wesp gestoken, draait zich naar de agent toe, en schiet hem zonder pardon gericht een kogel door zijn knie. De agent brult van de pijn en valt neer in de modder. In een reflex duik ik hem achterna, ruk het pistool uit zijn handen, mik, schiet, en raak Trespa precies tussen zijn ogen. Verbaasd kijkt hij mij aan, totdat zijn derde oog rood begint te kleuren, en de hufter als een plumpudding in elkaar zakt. Het is gedaan.
De boer en de tankwagenchauffeur komen aangerend. Jenny is volkomen van het padje. Zelf sta ik te shaken op mijn benen. Ik strompel naar Jenny toe, sla mijn armen om haar heen en houd haar stevig vast. De boer ondersteunt de aan zijn knie verwonde agent en neemt hem mee naar de boerderij. De chauffeur begeleidt ons tweeën. Eenmaal binnengekomen ontfermt de boerin zich als een bezorgde moederkloek over Jenny, die in een complete shock toestand verkeert. De chauffeur verbindt de knie van de agent, terwijl de boer voor een kopje koffie zorgt. Dan is het afwachten, totdat ambulance, brandweer en politieversterking arriveren. Wat een dag!
Ik zit weer in herberg ‘de Gevulde Kip’. Wethouder van der Kuijlen komt binnengezeild. Hij vraagt nog net hoe het met mij en Jenny gaat, maar begint vervolgens meteen te zeuren over het jubileumboek, en of ik daarin toch vooral geen melding wil maken van het feit dat de aanwezigheid van een grote crimineel als Maurice Trespa in Roerdonk, te danken is aan het beleid van de wethouder, om dit soort kapitaalkrachtige figuren naar zijn stad te lokken. Ik geef hem een hand. “Maakt u zich geen zorgen, mijnheer Van der Kuijlen. Maar ik heb nu andere zaken aan mijn hoofd. Ik moet zo meteen naar een begrafenis.” De wethouder kleurt en stamelt: “Oh ja, eh sorry. Sterkte, Splinter.”

5 reacties
NicoleS · 28 december 2016 op 08:32
Een spannend verhaal met spannend einde. Gelukkig leeft Jenny nog. ?
Karen.2.0 · 28 december 2016 op 10:32
Eind goed al goed. De wetenschap dat je dit verhaal van 20 jaar geleden herschreven hebt maken de details leuker (de Ascona was toen natuurlijk een dikke vette patserbak). 😉
Mien · 28 december 2016 op 17:50
Een prima slot. Graag gelezen deze reeks.
Esther Suzanna · 28 december 2016 op 18:13
Heerlijk vermaak. Door de vlotheid, actief taalgebruik en de plaatjes die in mijn fantasie voorbij flitsten werd het een soort versnelde opname van Q&Q. Mijn lievelingserie… 😉
Thomas Splinter · 29 december 2016 op 22:20
Hartelijk dank aan allen voor het volgen van dit verhaal, en het reageren hierop. Het was voor mij wederom een waar genoegen, om ook deze Splinter aan de dreigende vergetelheid te ontrukken. Jammer dat in de afgelopen periode enkele Columnx’rs het pand hebben verlaten. Van Yfs en Nachtzuster had ik toch graag vernomen hoe zij het verdere verloop van deze story hebben ervaren.
Maar nu; op naar een nieuw jaar. Wie weet wat er nog in het vat zit.