Deel I: De Gheijt haalt een wit voetje .

“En, wat is het verdict,inspecteur ? “ vraagt Daan. “3 weken .“ antwoord De Gheijt droogjes. “Da’s balen” zei Daan weer. Daan Burgers en Odillon De Gheijt werken al lang samen en hebben genoeg aan een paar woorden om elkaar te begrijpen. “ Naar huis zeker? “ vraagt hij. “Ja, zit voorlopig niks anders op. Ik zal het papierwerk thuis wel in orde maken.“ gromt de inspecteur. Inspecteur De Gheijt en zijn partner werken vanuit het Bureau Linkeroever van Antwerpen. Winkeldiefstal, straatcriminaliteit en zakkenrollerij vallen onder de dienst “kleine criminaliteit’, een onderdeel van de Belgische federale politie die niet in uniform werkt.

Toen hij in 1977 terecht kwam als politieagent aan het bureau Noordersingel van het district Borgerhout, wist hij amper wat een zakkenroller was en hoe die werkzaam was. Je hoorde vaak verhalen aan van collega’s, die er zelf ook niet al te veel kennis van hadden. Zijn jeugd speelde zich af in een boerendorp aan de rand van Antwerpen en daar had je kennelijk nog geen zakkenrollers, in ieder geval had hij er nooit veel mee te maken gehad.

In zijn tijd aan het Bureau Noordersingel probeerde hij met verschillende collega’s zoveel mogelijk dienst te doen in burger. De chef van de Uniformdienst, wilde dit tot een minimum beperken omdat hij van mening was, en terecht, dat zakkenrollerij bestreden moest worden door recherchepersoneel. De chef daarvan gaf zakkenrollerij geen prioriteit en de kennis bij de recherchedienst met betrekking tot deze criminaliteit hield op bij het opnemen van aangifte daarvan. Eind jaren zeventig was dat een veel voorkomend delict. Op een beetje mooie zomerdag verwisselde op de grote markt en omgeving tien tot twintig portemonnees van ”eigenaar”. Ook op de trams was het huilen met de pet op. Aangiftes van zakkenrollerij stroomden binnen, vooral bij bureaus aan in de binnenstad van Antwerpen.

De bestrijding werd niet projectmatig aangepakt in die jaren. Er bestond zo nu en dan wel een zogenaamd “zomer detachement”, bestaande uit politieagenten van verschillende bureaus, maar die hadden meer taken dan alleen het bestrijden van straatcriminaliteit. Winkeldiefstal en zakkenrollerij zijn intussen uitgegroeid tot de belangrijkste vormen van diefstal Inmiddels telt de “cel kleine criminaliteit” zoals die genoemd wordt, het meest aantal agenten binnen de Antwerpse federale politie.

Daan Burgers is een stuk jonger dan de doorwinterde inspecteur, maar in zeer korte tijd had hij bewezen dat hij een bijzonder talent heeft als het gaat om het opsporen van zakkenrollers en winkeldieven. Hij had vaardigheid op dit gebied verworven door veel met mensen om te gaan zonder personen of groepen uit te sluiten om één of andere reden. Met iedereen praten, en daarbij vooral letten op de mimiek van het gezicht, is zijn devies. Toen hij zich hierin trainde, merkte hij dat hij mensen op eenvoudige wijze kon betrappen op heel menselijke ondeugden.
Ouders kennen dat wel. Je kind heeft iets uitgehaald en liegt vervolgens de hele wereld bij elkaar om ertussenuit te komen. Je herkent onmiddellijk dat kindlief de zaak lichtelijk zit te bedonderen. Als je nu vraagt waaraan je dit kan merken, is het antwoord dat je dit kan zien aan zijn gedragingen en gezicht. Maar wat je nu precies ziet, is moeilijk te omschrijven. Wel zal je kunnen zeggen dat haar kind zich anders gedraagt op het moment dat het over een gebeurtenis op school vertelt.

Beide agenten staren wat voor zich uit . In gedachten verzonken. De gebeurtenissen van vanmorgen zijn het zoveelste bewijs dat je tegenwoordig alles kunt verwachten. Het is stil in de auto, over de radio horen ze de zoveelste oproep voor assistente bij een winkeldiefstal. Daan kijkt even opzij. “Gaat het ? “ vraagt hij bezorgd. “Valt mee “ is het antwoord. Maar de pijnlijke grimas op het gelaat van de inspecteur verraad anders.
“Weet je wat ? “zegt De Gheijt . “Rij eerst nog even langs het bureau dan kan ik nog wat spullen meenemen om van huis uit het één en ander te doen’’ Daan knikt en rijd richting de “konijnenpijp”. Ze rijden door de waaslandtunnel en zien hoe in tegengestelde richting twee politieauto’s met zwaailichten naar de binnenstad koersen. De blauwe lichten weerkaatsen op de kleine vierkante witte tegels van de oudste verbinding tussen Antwerpen Centrum, en de linkeroever van de Metropool.

Even later staan beide mannen bij het bureau. Daan helpt zijn collega uit de wagen. Ze lopen de glazen ingangsdeur door en botsen op twee collega’s in uniform.
“Awel de Gheijt, wat hebt gij uitgestoken ?’vraagt één van hen in onvervalst Antwaarps.
“Dat ziet ge toch , onnozelaar. Ik ben een wit voetje gaan halen in het gasthuis!” en wijst daarbij naar het gips aan zijn been. “Laat maar Jef “zegt de ander “Ge ziet toch dat hij met de verkeerde kruk uit bed is gestapt “ Al lachend lopen de twee naar buiten.
Inspecteur De Gheijt strompelt , ondersteund door zijn collega, naar zijn stoffige kantoortje.


Grumpy-old

"wie ben ik nu eigenlijk" Ben ik mijn baan, ben ik deze auto , ben ik dit huis , ben ik deze blog . Of is er meer aan mij. Iets wat mij anders maakt dan al die anderen, bijzonder. ( want iedereen wil toch bijzonder zijn) Het gaat eigenlijk niet eens om het antwoord op deze vraag . Het gaat er alleen om dat je de vraag af en toe eens stelt. Alleen het stellen van die vraag heeft de potentie de rotsvaste aanname dat de wereld is zoals hij is, met alles erop en eraan, in twijfel te trekken. Het is een aanrader om het antwoord niet met mijn persoonlijkheid te gaan zoeken of intelectueel te gaan benaderen . Dus stel je open voor een antwoord in welke vorm dan ook. Dat hoeft toch geen keurig netjes antwoord te zijn in de vorm van een stukje tekst op mijn blog? Het kan ook een beeld zijn dat je vormt na een gesprek, een situatie die zich voordoet. Stukjes van een puzzel, die na verloop van tijd een steeds duidelijker wordend beeld van " ikke" zullen vormen. Er zijn meer van dit soort vragen die hetzelfde effect teweegbrengen , zoals " waarom ben ik hier" of "wat doe ik hier" Daarvoor geld eigenlijk hetzelfde, het stellen van de vraag is belangrijker dan de vraag zelf, of het antwoord daarop. Met andere woorden: vraag me wie ik ben en ik zal je vertellen wat ik doe . Leer mij kennen en je zult weten wie ik ben .

6 reacties

SIMBA · 22 mei 2008 op 08:21

Ik hoop dat deel 2 wat spannender wordt.

Troy · 22 mei 2008 op 12:20

De dialoog op het eind vond ik wel grappig. De rest vond ik echt tergend saai en veel te uitleggerig. Heb ik die hele lap tekst gelezen, is er nog geen ene mallemoer gebeurd. In deel 2, 3, 4, 5, 6 en 7 verwacht ik wel wat jus bij de spek. 😀

Ps: Met je schrijstijl is overigens niets mis, dus misschien dat ik juist daarom meer had verwacht van dit intro. Ik sta in ieder geval positief tegenover de volgende delen. Er zal toch wel wat gebeuren, daar in Antwerpen. 😎

lisa-marie · 22 mei 2008 op 12:29

[quote]Zijn jeugd speelde zich af in een boerendorp aan de rand van Antwerpen en daar had je kennelijk nog geen zakkenrollers, in ieder geval had hij er nooit veel mee te maken gehad. [/quote]
😆

Ben benieuwd wat er in deel 2 gaat gebeuren.
in deel 1 gebeurde er te weinig naar mijn mening.

Mup · 22 mei 2008 op 14:12

Het is een mooi maar voor mij te lang intro, neemt niet weg dat ik meer wil weten van de mannen!

groet Mup

champagne · 22 mei 2008 op 15:56

Ik kom er maar moeizaam doorheen. Teveel tekst, te weinig spanning.

arta · 22 mei 2008 op 19:40

Zo, Grumpy, je hebt jouw mannen uitgebreid voorgesteld, een mooi sfeerplaatje van de stad Antwerpen gegeven: Tijd voor wat actie!
Mijn verwachtingen zijn hooggespannen!
🙂

Geef een antwoord