Al een paar jaar lever ik, al zeg ik het zelf, vakkundige en trouwe service. Ik ben me er echt wel van bewust dat mijn stemgeluid van behoorlijk niveau is. Niet iedereen houdt daarvan, maar daar staat tegenover dat ik enorm wendbaar ben. Met mij kun je echt alle kanten op. Bovendien schrik ik er niet voor terug om tot het allerkleinste gaatje te gaan. Ben ik klaar, dan hoest ik me, excusez le mot, de tering. Dat wel. Maar altijd buiten beeld, want zo ben ik. Nooit klagen. Je kunt te allen tijde een beroep op me doen. Toch moet me nu iets van het stoffige hart.

Mijn voorganger had me gewaarschuwd. Ik ben hier begonnen, nadat er bij hem een fataal binnenbrandje was ontstaan. Dat kan de beste overkomen, maar toen ik hem op mijn eerste dag ontmoette, schrok ik. Aanzienlijk gehavend stond hij in de gang te wachten om afgevoerd te worden. ‘Jeetje man,’ bracht ik uit, ‘wat zie je eruit!’ Hij zuchtte wat stof uit en keek weg. Zachtjes reed ik naar hem toe en maakte contact. ‘Ik wil je niet ontmoedigen, maar het is hier ondankbaar werkzaam zijn,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ach joh, ik kan alles aan!’ zei ik stoer. Met het schaamrood op mijn zuigmond herinner ik mij mijn pedante pirouettes waarmee ik hem de ogen wilde uitsteken. ‘Je komt er wel achter,’ zei hij. We schudden elkaar de slang, waarna ik opgetild werd en mijn kast betrok.

Ik geef het niet graag toe, maar mijn doorgebrande collega had gelijk. Het is niet zo zeer de woning. Die kan ik prima aan. Geinige ruimte om te doen, zelfs. Het probleem zit hem in mijn eigenaresse. Er is op z’n zachtst gezegd geen klik en ik verzeker je: dat ligt niet aan mij! Zij haat mij. Ze verafschuwt het moment waarop ze me nodig heeft. Dan moet ze weer aan die, zoals zij het noemt: “kutklus”, geloven.

Om te beginnen vindt ze dat ik een onnoemelijke bak herrie produceer. Daarbij draai ik volgens haar alle kanten op, behalve de goede. Dan sta ik te dichtbij, dan weer te veraf. Het is, kortom, nooit goed en dat zal ik weten ook. Vooral als mevrouw een pokkenhumeur heeft, moet ik het ontgelden. Ik merk het al aan de ruwe manier waarop ik uit de kast getrokken word. Vervolgens wordt er onbarmhartig aan mijn snoer getrokken en niet zachtzinnig op knoppen gedrukt. En in het ergste geval zijn trappen in mijn flanken niet van de lucht.

Als ik na de rit door het huis uitgehoest ben, volgen steevast de tranen. De onzekerheid speelt mij parten. Iedere keer als die kastdeur opengaat, peil ik snel de stemming en hoop ik op een meevaller. Op een probleemloos ritje met heel misschien een “dank je wel.” Helaas zal ze nooit echt van me houden. Ik betrap mezelf er weleens op dat ik nu al verlang naar een compleet kapotte motor. Dat gun ik haar echter niet. Ze zal last van me hebben, totdat mijn maximale levensduur bereikt is. Ik ga door tot het bittere eind.

Categorieën: Overig

0 reacties

Geef een reactie