ln de keuken op de smalle tafel liggen de kruiswoordpuzzels op een langzaam groeiende stapel naast het servies; boeren bont. Ze knipt ze uit, de puzzels, uit kranten en bladen. Het verzamelen geschiedt de laatste tijd in een hoger tempo dan het maken. Maar zonder kruiswoordpuzzels kan ze niet, wil ze niet. Het is, zoals ze zegt, om haar domme kop aan de gang te houden. Als ze dat zegt dan slaat ze met haar hand tegen de zijkant van haar hoofd. Alsof een klap de boel weer op zijn plaats zou zetten.

Ik moet aan mijn oude deux chevaux denken. De auto met standaard een hamer op de achterbank. Bij hapering een paar tikken op de startmotor. Het werkte. Toen wel. Het is lang terug. Haar moeder heb ik regelmatig in die auto meegenomen. Voor een dagje naar haar dochter. Haar dochter, mijn moeder. Tijdens winterse ritjes hield oma, voorin zittend, met een daartoe aanwezige handschoen, het door roest haperende klapraampje zoveel mogelijk dicht. Voor een half uurtje was dat oké. Ik had de privileges van het oudste kleinkind. Ik kon haar alles vragen.

Mijn moeder nu is ouder dan haar moeder toen. Ruim ouder. Ze woont op zichzelf en redt zich nog. Maar het vermogen om te onthouden hapert. Dementie zei de casemanager. Ze was van haar stuk. Dagen lang, weken. Dement, maar niet dement genoeg. Ik zeg het maar zoals het is had de casemanager gezegd. Het deed verlangen naar de tijd van het meer omwonden taalgebruik. Met ruimte voor ontkenning, voor hoop. Daar was behoefte aan. Een beetje hoop. Niet dat harde onvermijdelijke op de eindstreep af. Het helpt niet.

Sinds de diagnose lijkt ze zich steeds meer naar de diagnose te gedragen. Het lijkt zo. Het is niet zo. De diagnose klopt. Ik zie het, ik weet het. Wij weten het. Zij niet meer. De afstand groeit. We maken steeds minder deel uit van elkaar. Het zijn broze verbindingen.

Ze vult haar dagen met kruiswoordpuzzels, met bedenken wat ze vergeten is en vergeten wat ze bedacht heeft. Ze is blij als ik kom, als wij komen. Ze praat maar kan de woorden steeds moeilijker vinden. Vertwijfeld kijkt ze om zich heen. Alsof ze ergens liggen.

Ze verhaalt nog graag over vroeger. Over haar ouders, haar overleden broer, de oorlog, de AJC, het werk op kantoor… Maar ook die herinneringen haperen. Ze verdwaalt in haar geheugen, in de stegen van een onbekende wijk in een vaag bekende stad. Ik ga achteruit jongen, zegt ze.

Van de hoge rieten stoel in de keuken loopt ze langzaam, krom en wankel, naar de fauteuil om de hoek in de kamer. De rugleuning van de laatste is verstelbaar. ’s Middag doet ze daar altijd even haar ogen dicht. Slaapstand. Een uurtje maar verzekert ze me. Echt.

Categorieën: Hokusai bon

2 reacties

NicoleS · 31 oktober 2020 op 09:42

Een verhaal dat raakt. Mooi.

Mien · 31 oktober 2020 op 12:34

Heel scherp en warm geschreven. Fijn om je weer eens te lezen Frank.

Geef een reactie