De zon brandt aan de hemel en verhit moeder aarde als zijnde het een sensuele vrijpartij. De lente is begonnen en dat is te merken. Uit mijn raam kijk ik op de met auto’s bezaaide weg. Groen, geel, rood en blauw zijn enkele kleuren die deze auto’s hebben; meer kleuren dan dat de regenboog ons voorschotelt. Toch hebben deze felle kleuren iets treurigs; het zijn niet de kleuren van de voetbal, autoped of de felroze kinderfiets. Het is een te droevig uitzicht voor deze tijd van het jaar. Het uitzicht dwingt me om afscheid te nemen van deze omgeving. Tijdelijk althans. Lopend langs de wegwerkers, die zich in een gratis bruinsessie wanen, besluit ik om naar het park te gaan. Voor me loopt een oude dame en een klein jongetje. De grijze haren van de oude dame worden haast doorzichtig door de zonnestralen. Ze heeft een paraplu bij, hetgeen me doet denken aan mijn oma. Wat voor een weer het ook was, ze had altijd haar paraplu bij, want: ‘Je kunt maar nooit weten wat Onze Lieve Heer in petto heeft!’ Het jongetje heeft een witte pet op, maar onder zijn pet door kan ik zien dat hij blond haar heeft. Ik vraag me af of dat jongetje eigenlijk wel gelooft wat zijn oma over haar jeugd vertelt. Zou hij geloven dat zij nog op straat kon spelen, zonder overreden te worden door een automobiel? Ik weet het niet…

Met een glimlach loop ik de natuur tegemoet. Ik neem plaats op een bruin gekleurd, houten bankje. Eén plank mist, maar dat geeft niet, zolang ik maar kan zitten. In de vijver zie ik vijf witte edele gestalten drijven. Vijf koninginnen bewakend hun territorium. Een ieder die te dichtbij dreigt te komen, wordt erop geattendeerd dat dit hun gebied is. De statigheid van de figuren wordt weerspiegeld in het, op het eerste gezicht, vrij heldere water. Een moederfiguur loopt richting het water. Ze is zomers gekleed, misschien nog wel wat te koud voor deze tijd. Het stof van haar jurk waait steeds omhoog; het zal niet lang duren of de wind kleedt haar uit. In haar linkerhand heeft ze een tas van de super uit het dorp. De tas zit vol met brood; oud brood hoogstwaarschijnlijk. Te oud om zelf nog op te eten. In haar rechterhand heeft ze het handje vast van een timide klein meisje. Ze loopt voorzichtig met haar moeder mee, want ze is bang voor de koninginnen. Ze is schattig gekleed, zoals dat hoort voor een dergelijke leeftijd, ik schat een jaar of vijf. Haar witte jurkje weerkaatst het zonlicht recht in mijn ogen. Vredig maar angstig voert zij de zwanen, samen met haar moeder.

Om mijn ogen te sparen, kijk ik in een andere richting uit. Om me heen hoor ik de vogels, maar zien doe ik er geen een. Ze zitten in de bomen; de lafaards. Het is een eentonige, maar toch zo variërende melodie. Als je goed luistert, hoor je de klanken van de natuur. Ze zingen over de aarde, die zij in vogelvlucht zien. Zij zien het lijden van de armsten en de arrogantie in combinatie met het hypocriete gedrag van de rijken. Liefdadigheid is de schijn van de rijke wereldverbeteraar, die zich volpropt met het duurste brood en de kruimels gooit naar de armen.

Ik voel gekriebel op mijn been; een spin kruipt tussen mijn beenharen. Als schrikreactie gooi ik het beestje op de grond. Deze val overleeft hij. Met zijn acht poten, die in vergelijking veel te groot zijn voor het minuscule lichaampje, loopt hij in een vlot tempo naar een andere schuilplaats. Hij is immer voor het leven op de vlucht. Op vlucht voor de zolen van de schoenen, die bij elke grond-aanraking een trillende naschok geven.

Een gekleurd beestje vliegt voor mijn ogen, een vlinder. Een sierlijk gekleurd dier. De vlinder lijkt vier ogen op zijn vleugels te hebben, die zich lijken te centreren in een oranje zee. Zij zijn de koningen in het metamorfoseren. Zelfs de beste make-up zou de metamorfose van de rups naar de vlinder niet kunnen evenaren. God is een kunstenaar, mocht hij bestaan. Met elegantie zweeft het beestje naar het bloemenperkje, iets verderop. Er staan bloemen in die ik niet ken. Oranje en geel overheersen in deze oceaan van bloemen. Ik vind ze mooi, maar ik ben er niet echt van onder indruk. Niet zoals Van Gogh, want ik zou deze bloemenoceaan niet de moeite waard vinden om te schilderen. Al waren het zonnebloemen, dan nog niet.

Het voelt heerlijk om je te bevinden in deze natuur, dat dacht ik althans. De rust wordt verstoord door een hoop lawaai. Ik zie een viertal mannen met oranje pakken; gemeentewerkers. Ze vinden het schijnbaar nu de perfecte tijd om het gras te gaan maaien. Alsof dit nog niet genoeg plezierbedervend is, laat een vogel zijn verwerkte lunch vallen op mijn hoofd. Het druipt langs mijn gezicht af naar beneden. De natuur wreekt zich op mij.

Wanneer ik met mijn bevuild hoofd naar huis toe loop, kom ik de vrouw met het timide kleine meisje weer tegen. Grinnikend zegt de moeder tegen het meisje: ‘Kijk Sofie, dat is misschien wel ons brood.’ Het meisje lacht hard, alsof ik haar timiditeit verzonnen zou hebben. Aangekomen bij mijn huis, trek ik de deur achter me dicht.

[i]De loomheid heerst in lijf en leden.
Vermoeid van de schittering der natuur
laat ik me vallen voor de pluche mand
en aai mijn kat dankbaar over zijn kop[/i]


9 reacties

LouisP · 28 april 2009 op 17:40

M.
geprobeerd het stuk objectief te lezen. Niet helemaal gelukt. Ik voel bij enkele zinnen wat geforceerde proza.
Mooi slot maar zou ik persoonlijk achterwege laten.
Het plezier waarmee je schrijft, de tijd en aandacht die je eraan besteed, dat voel ik bij het lezen. En daar heb ik respect voor.

groet,
Lou

maurick · 28 april 2009 op 19:03

Bedankt Louis,

Het slot is niet zomaar een willekeurig slot, maar een ironisch passend slot. De kat staat in dit geval voor de bevangen natuur. Daar waar ik de “echte” natuur niet aan kan, bedwing ik mijn stukje natuur dat ik wél onder controle heb; mijn kat. Ik begrijp de verwarring, maar persoonlijk vind ik het erg goed bij de tekst passen.

Ik vraag me af waarom je het stuk niet objectief zou kunnen bekijken. Waarom niet, louis?

Bedankt voor je reactie en de tijd die je hebt genomen om het stukje te lezen, 😉

Maurick

champagne · 28 april 2009 op 20:10

Je formuleert prachtige zinnen, maar van mij had het geheel wat korter mogen zijn. Nu is het wat teveel van het goede… Maar schrijven kun je!

LouisP · 28 april 2009 op 20:47

Maurick,

niet goed te praten maar op een of andere manier lees ik verhalen met in mijn achterhoofd andere stukken van dezelfde auteur. Er is dan een soort van verwachting naar hetzelfde of méér. Ik heb van jouw eerder een paar fantastische stukken gelezen. Dat probeerde ik te vertellen met ‘objectief.’
Ik doe mijn best.

groet,

Louis

arta · 28 april 2009 op 21:06

Mooi poëtisch stukje, het ‘té’ vind ik in dit stuk wel passend, grappig dat je er ook wat humor ingestopt hebt!
🙂

Mien · 29 april 2009 op 10:47

Iets te veel uitwijding.

Struikel ook meteen over de eerste zin:

De zon brandt aan de hemel en verhit moeder aarde als zijnde het een sensuele vrijpartij.

Moet zijn: … als ware het …

Mien

maurick · 29 april 2009 op 12:34

Die zin is niet per definitie fout. Als zijnde wordt vaak als dubbelop gezien, doch kan het ook een extra duidelijkheid scheppen.
Kijk maar eens in de Dikke van Dale, maar waak voor struikelblokken. Het zou zonde zijn als je weer zou struikelen, niet waar?
‘als ware het’ zou ook kunnen, dat wel.

Bedankt voor je reactie,

Maurick

Dees · 29 april 2009 op 13:58

Het stuk bevat prachtige volzinnen en ik houd ook wel van de wrange humor die van je gezicht druipt en bespot wordt, als contrast met de poetische beschrijvingen van even daarvoor.

Wel vind ik dat woorden als immer weinig toevoegen. Dat is dan misschien net een randje geforceerdheid, zoals l/ lo/ lou schreef.

Ik heb, net als Mien, moeite met de eerste zin en zou het ook als fout hebben aangemerkt. “Als ware het” zou veel mooier zijn, dat is een. Maar ook, de zon verhit moeder aarde, een vrijpartij? Hij beroert haar, zoals ik het zie. Dat is geen vrijpartij, meer voorspel. Het initieren van de vrijpartij. Dat past dan ook weer mooi bij de lente, het begin… Gewoon een gevoel mijnerzijds.

Ik vind wel dat je goed kan schrijven, het mag nog iets puurder, je hoeft het niet teveel mooier te maken, want daar wordt het vaak net minder van.

Edit: en kijk ook een beetje uit voor overmatig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden 😉

Mien · 29 april 2009 op 18:15

Je kunt van mij een contaminatie krijgen.
Eerst de kont en dan de animatie wel te verstaan. 😀

Het loopt in ieder geval beter. Als het ware.
Ware het niet dat vallen vaak een gevolg is van struikelen.

Mien

Geef een antwoord