De zon verschuilt zich nog achter de Hottentotshollandse bergtoppen, maar het is al licht, als in een klein wit stenen huisje een wekker afloopt. Zoals iedere doordeweekse ochtend om kwart over vijf. Monica glijdt de wereld der ontwaakten binnen. Een gewone dag, die begint met wassen, tandenpoetsen – het huisje kent de weelde van stromend water – en aankleden. Dan fluistert ze haar twee kinderen uit dromenland. Met een landerige onbekommerdheid, die kleeft aan mensen die vertrouwen op Gods voorzienigheid, vervolgt Monica haar ochtendritueel en om zes uur lopen drie frisse mensen over de stoffige onverharde straten van Nyanga. Nyanga is een township in de Cape Flats, een gebied zo groot als de provincie Utrecht ten oosten van Kaapstad, ingeklemd tussen de wateren van False Bay , de noordelijke voorsteden langs de as van de N1: Goodwood, Parow en Bellville, en de R44, die van Kuilsrivier via Sommerset West doorloopt naar Strand en de grens met de Winelands rondom Stellenbosch aan de voet van de Kaapse bergen officieus afbakent. De Cape Flats worden van oudsher – dat wil zeggen sinds de apartheid – exclusief bewoond door kleurlingen en zwarten. De misdaadstatistieken van de Cape Flats liegen er niet om: om de andere dag een moord en tien gerapporteerde verkrachtingen per dag. En de meest gewelddadige plek in de Cape Flats is Nyanga.

Om kwart over zes levert Monica haar kinderen af bij haar moeder, die een zelfde door de ANC ter beschikking gesteld wit stenen éénkamerhuisje bewoont, maar dan samen met Monica’s twee jongere zusjes en hun drie kinderen. Monica zet haar wandeling in het nu al tot leven gekomen township voort, langs de rijen witte blokkendozen en langs de anarchie van de plakkershuisjes die als een weerbarstig onkruid de structuur van de derderangs ruimtelijk planner brutaal hebben overwoekerd.

Eenmaal aangekomen op Klipfontein Road, de geasfalteerde doorgaande weg aan de rand van Nyanga, is er de gebruikelijke ochtendchaos. Geschreeuw en getoeter. Verkopers, sjacheraars, boemelaars, werkzoekenden, scholieren, herkenbaar aan hun voor de townshipbewoners onbetaalbare uniformen, en mensen zoals Monica, op weg naar hun werk, bevolken de toegangspoort naar de buitenwereld. Taxi’s rijden af en aan. Een taxi overigens, is in Zuid-Afrika niet een gerieflijke donkerblauwe Mercedes met airconditioning, noch is het de archetypische gele Chevrolet. Een taxi is hier een kombi-busje, dat volgens de handleiding plaats biedt aan 16 personen, een aantal dat vaker wel dan niet wordt overschreden. Taxi’s vormen een levengevaarlijke vorm van transport, zowel voor de inzittenden als voor alle overige weggebruikers. De staat van de voertuigen is abominabel: vering en schokbrekers ontbreken doorgaans volledig, en afgaande op de roekeloze rijstijl van de bestuurders lijkt dit ook voor spiegels te gelden, de bodem oogt als bijeengepapt papier maché en de geur lijkt erop te duiden dat we hier van doen hebben met een Afrikaanse variant van de molotovcocktail; op zwabberwieltjes.

Het is iets over zeven als Monica stoïcijns na een zenuwslopende taxirit uitstapt op het treinstation bij Nyanga. Het is dan ook al warm, als de zonnestralen hun kracht van de vorige dag hebben weten te hervinden. Stations zijn vrijplaatsen voor drugdealers, gebruikers, gangstas, boemelaars, en ander gespuis. Je kunt er maar beter zo snel mogelijk doorheenlopen en hopen dat er snel een trein aankomt. Dit is doorgaans ijdele hoop: zelfs de nooddienstregeling van de NS na een herfststorm met overdadige bladerval lijkt voor Metrorail Western Cape te hoog gegrepen.

De overvolle trein, waarin Monica een staanplaats heeft weten te bemachtigen ruikt naar urine, alcohol en zweet, de indringende geur van negerzweet. Ze ruikt het niet eens, terwijl ze wild heen en weer wordt geschud als de gecorrodeerde wielen over de stroeve rails voortknarsen. De rit gaat vandaag, zoals iedere dinsdag, naar Brackenfell, een forensenstadje in de uitgestrekte lappendeken aan suburbia die Kaapstad omgeven. Dit betekent overstappen in Bellville, een hachelijk en onaangenaam avontuur, dat Monica gelaten ondergaat. Om een uur of acht, laat ze de stinkende zwarte wereld achter zich als ze het station van Brackenfell uitloopt. Een wandeling van zo’n vier kilometer, in haar tempo een klein uurtje, resten haar tot de werkplek van vandaag, de nette eengezinswoning van de familie Ehlers, een hardwerkend gezin met twee opgroeiende kinderen, de enige overeenkomst met Monica.

Als Monica om kwart voor negen de sleutel in de voordeur van de oase van rust steekt heeft ze ruim twee uur gereisd over een afstand, die je met de auto, als het verkeer tegen zit, in nog geen half uur overbrugt. En om vier uur vanmiddag zal Monica dezelfde reis in omgekeerde richting maken. Al die moeite vanwege het voorrecht om een huis te mogen schoonmaken. Voor, omgerekend, zo’n €20,=, een bedrag waarvoor een Poolse schoonmaakster niet eens de stofzuiger zou aanzetten. En daar gaan dan ook nog eens de kosten van vervoer en een vergoeding voor haar moeder van af.

“Het leven is niet gemakkelijk. Zeker niet na het overlijden van mijn man,” zegt Monica ’s avonds op haar doorgezeten bank met een bescheiden glimlach, “ Het valt niet mee om de eindjes aan elkaar te knopen en na een dag werken ben ik bekaf. Maar ik ben dankbaar voor wat de Here mij heeft gegeven, twee schatten van dochters en een paar handen waarmee ik hen kan onderhouden.” Ze kijkt met vertedering en verholen trots naar twee slapende peuters:”Kyk hulle nou, dis tog te pragtig.”


Chris

Chris den Daas

2 reacties

Boukje · 8 april 2012 op 15:49

Goed om te vermelden dat er nog steeds armoede is. Hier in mijn dorp in Hongarije gaat het ook niet best met de mensen. Er wordt al hele dagen in het bos gewerkt voor maar twee Euro. De (blanke) uitbuiters weten de arme sloebers (zigeuners) wel weer te vinden.

Enne, ruikt negerzweet anders dan blank zweet???

BlogBoy · 10 april 2012 op 13:37

Negerinnenzweet trouwens ook. Dat moet even wennen, zal ik maar zeggen.

Geef een antwoord