Glad en soepel bewegen onze lijven zich door het water. Ik omhels mijn protagonist en veeg zijn natte donkere haar uit zijn gezicht.
‘Zie jij de doden?’ vraagt hij.
Ik knik.
Overal drijven ze om ons heen: de drenkelingen.

Een grijns, er is niets meer van ze over dan een grijns. De dood stinkt.
En iedereen, iedereen lijkt inwisselbaar.

‘Je inspireert’ zeg ik. ‘Er zijn duizenden rollen die ik je zou kunnen laten spelen en toch laat ik je willens en wetens hier, in deze rol, in deze scène.’
Hij lacht. ‘Dat ik hier ben met jou valt enkel aan mezelf te wijten. Ons egoïsme ligt volledig in het voordeel van de ander.’
‘Hou je van mij?’ vraag ik zomaar. Zijn ogen geven licht.
‘Ik houd zelfs meer van je nu je dood bent.’
Langzaam streelt hij mijn borsten.

Vlees en bloed.
Even denk ik aan vlees en bloed

‘Ik heb wel eens van je gedroomd’ merk ik op. ‘Zelfs toen ik met anderen was, lang voordat ik je kende. Ik wist niet dat je zo mooi was. In mijn dromen was je mager en vaak was ik bang van je.’

De kust lonkt en roept. We geven antwoord, zijn pezige lange lijf dicht tegen mij aan.
‘Waar was je toen ik je mistte?’ vraagt hij.
Even denk ik na.
‘Ik zocht aansluiting. En keer op keer vond ik in anderen de bevestiging dat ik niet bij machte was die ander completer te doen voelen.
Als gevolg daarvan heb ik jaren verspild aan het mezelf incompleet voelen.
Ik maakte denkfouten.
Spiegelde zonder te reflecteren. Nu is het goed. Jij vraagt niets van mij. Niets meer dan wat ik ben: dood en zonder enige ambitie.’

Liggend in de branding pakt hij mijn hand, met zijn andere hand slaat hij denkbeeldige toetsen aan op mijn arm. ‘Chopin?’ raad ik.
Zijn antwoord blijft achterwege.
Ik heb zin om voorgoed te zwijgen, nooit meer een woord of zelfs maar een klank uit te brengen.
Ik denk aan al die anderen. Diegenen die denken dat de dood niets meer dan een definitief einde inluidt.
Ze moesten eens weten.

‘Het lijkt nog maar gisteren dat ik bang was me nooit meer zoals nu te kunnen voelen.’
De zon brandt op mijn huid en het water golft kalm op -en af de kustlijn.
Hij sluit zijn ogen en ziet door de mijne die wijd open naar de lucht staren. Er is geen wolk aan de hemel, slechts een stille bries die zacht fluistert over hoe het nu het vermogen heeft in de eeuwigheid op te gaan; als een tijdloos geheel van alle gisterens en iedere denkbare morgens.

‘Maar helaas, morgen ben je mij alweer vergeten.’
Hij lacht: ‘Morgen? Morgen is een eeuwigheid hier vandaan. We hebben het nu. Nu tot in de oneindigheid.’

‘Het nu?’ vraag ik. En even, even denk ik aan vlees en bloed…

Categorieën: Fictie

9 reacties

SIMBA · 27 december 2010 op 08:47

Je bent het nog niet verleerd Troy 😀 Wat een beauty weer!

arta · 27 december 2010 op 11:06

Heel erg mooi, Troy!

Prlwytskovsky · 27 december 2010 op 11:45

Ik was je al kwijt hier op CX maar nu begrijp ik het.
Heel erg mooi beschreven. Vooral dat jullie in het dodenrijk het ‘nu’ hebben, waar wij onder de levenden de ’tijd’ hebben.

Mien · 27 december 2010 op 12:14

Een mooi welcome back.

Mien

pally · 27 december 2010 op 15:01

Als fan, ben ik heel blij je hier weer terug te zien, Troy! En wel met een ‘ouderwetse’ echte Troy-column. Mooi! :wave:

groet van Pally

Dees · 27 december 2010 op 15:12

Een verloren zoon terug in het dorp en niet zomaar eentje.

Tja Troy, ouderwets Troy en mooi. Hij valt me wel wat zwaar en melancholisch op de keel. Deze vind ik heel erg mooi:

[quote]’Het lijkt nog maar gisteren dat ik bang was me nooit meer zoals nu te kunnen voelen.’ [/quote]

Harrie · 28 december 2010 op 12:31

Donkermooi. Ik voel heimwee in mijn wizzardhart.

embee · 28 december 2010 op 14:14

Ik kende je nog niet Troy, maar WOW! nu wel, prachtige column!!

Embee

sylvia1 · 28 december 2010 op 20:27

Ik ben ook post-Troy, maar erg nieuwsgierig, aparte column dit. Kan me niet herinneren ooit eerder iets in deze stijl gelezen te hebben.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder