Waarom zegt die vrouw meneer tegen me? Wie noemt een jongen nou meneer? Iedereen noemt mij Peter. Peter van Zanten. Een explosie aan vragen komt tegelijk binnen, en de akelige angst wordt steeds heftiger. Die nare sensaties herken ik. De eerste keer dat ik me zo voelde was toen ik met de jongens naar dat pretpark was gegaan. We zaten in dat gammele bakje van het reuzerad. Iedereen ging schommelen. Ik wilde eruit. Als verlamd bleef ik zitten, hield mezelf krampachtig vast. Misselijk. De neiging om naar beneden te springen was sterk …

‘Kan iemand mij vertellen wat ik hier doe!’ schreeuw ik. Door de enorme spanning maai ik met mijn armen en veeg door mijn spastische beweging het theekopje van tafel. In de stilte die volgt op mijn gekrijs, klinkt het brekend porselein bijna als een startsein. Van wat?
Ik voel een hand op mijn schouder.
‘Pa, rustig nou maar,’ zegt een hese vrouwenstem. De hand glijdt haast strelend via mijn schouder naar mijn bovenarm. De hand knijpt. Het voelt vreemd. Alsof de arm niet van mij is. Een te zware parfumgeur doet mijn maag in opstand komen. Pa? Waar slaat dit op?
Een vrouw van middelbare leeftijd trekt een stoel bij en gaat naast mij zitten.
Ze kijkt me met grote koeienogen indringend aan. Haar wimpers kleven brokkelig aan elkaar van de mascara. Ik haat het als meiden zich zo opmaken. Dan hebben ze meestal iets te verbergen. Dit is geen meisje meer, Peet.

‘Je bent in het verzorgingstehuis pa,’ zegt de vrouw. Ze legt haar hand op mijn knie. Haar nagels zijn rood en puntig. Mijn knie voelt knokig, zit verstopt in een debiele beige stof. Dat soort broeken droeg mijn vader altijd.
‘Zal ik even een ander kopje voor je halen,’ zegt de vrouw. De witte dame komt aanlopen met een stoffer en blik, haar dikke kont steekt in de lucht als ze de scherven opveegt. Jezus wat een koe. Een grijns trekt mijn gezicht omhoog. Zo voelt het. Alsof mijn gezicht een masker is.
‘Wie ben jij?’ vraag ik aan de ordinaire vrouw.
De getekende wenkbrauwen schieten omhoog, haar hangende oogleden gaan mee. Ze brengt haar gezicht heel dicht bij de mijne, haar lippen richting mijn oor.
‘Houd hiermee op,’ sist ze. ‘Ben je helemaal gek geworden…’
Zo van heel dichtbij ruik ik haar parfum nog sterker. In een impuls duw ik haar van me af. Haar gezicht vertrekt, haar lichtgrijze ogen kijken me haast angstig aan.
‘Ga weg, mens,’ zeg ik. Weer die rare stem die uit mij komt. ‘Ik ken jou niet.’
‘Zuster!’ roept de vrouw hysterisch.
De witte dame komt aangesneld. Twee mannen in het wit in haar kielzog. Eén met een rolstoel
‘Kom meneer van Zanten, we gaan even naar de verpleegkamer,’ zegt ze en de twee mannen beginnen gelijktijdig aan mij te sjorren. Ik wordt als een lappenpop in de rolstoel gehesen.

Als ik de zaal doorkruis zie ik de steelse blikken van oplettende grijsaards, maar de meesten suffen gewoon door boven hun kopje.
Mijn gedachten razen in het rond; ik begrijp helemaal niets van deze toestand. Hoe ben ik hierin verzeild geraakt. Het lijkt wel een nachtmerrie. En waar is Brigit? Het laatste wat ik me kan herinneren is dat ze bij mij achterop zat. Het was donker. We reden richting het centrum. Het Honk? Mijn vrienden.
Ik knijp mijn ogen stevig dicht. Tel tot tien. Een, twee, drie…


Esther Suzanna

Ik schrijf omdat ik het niet laten kan op https://www.facebook.com/esthersuzanna/ en http://suzannaesther.nl/

3 reacties

Arta · 18 juni 2018 op 14:50

Wat mooi en empathisch geschreven, Esther!
Ik ben echt benieuwd naar het vervolg!

Mien · 18 juni 2018 op 14:54

Mooi vervolg.
@Arta: Het staat er al op. 🙂 🙂 🙂

Nachtzuster · 20 juni 2018 op 17:12

Erg fijn om te lezen. Heerlijk loom, er gebeurt ogenschijnlijk niet zoveel, maar er gebeurt heel veel. Onderhuids. Heel filmisch en goed geschreven.

Geef een reactie