Roodkapje, wie kent haar niet? Dat kleine, lieve, zorgzame meisje uit het gelijknamige sprookje. Met haar rode mutsje op en dat mandje met koekjes in haar handje beleefde zij één van de meest vertelde verhalen uit sprookjesland. Decennia na haar avontuur met oma en de wolf woonde ze zelf in het bos. Ze was ingetrokken bij de zeven dwergen. En het achterkleinwolfje van de Grote Boze Wolf woonde daar ook. Door de jaren heen was het roodbekapte meisje uitgegroeid tot een flink uit de kluiten gewassen vrouw van lichte zeden. Alle boswachters en houthakkers van het bos waren al een keer over haar heengegaan. Ook de dwergen vergoedde ze haar onderkomen in natura. Al haar geld ging immers op aan eten. Nee, Roodkapje was Roodkapje niet meer. Zelfs het rode kapje van weleer paste niet meer over haar dikke hoofd. Maar…, omdat ze haar vlassige lokken rood had geverfd kende iedereen haar als Roodkapsel.

Op een mooie, zonnige ochtend werd Roodkapsel wakker. Door haar wimpers heen probeerde ze waar te nemen of het dag of nacht was. Bij haar eerste beweging voelde ze een stekende pijn en een niet te negeren jeuk. Grommend kwam ze moeizaam overeind en spreidde halfzittend haar benen. Doordat het zicht op haar schaamstreek door buikvet belemmerd werd, prutte ze wat op de tast met haar hand aan haar onderkant. Al rochelend rook ze daarna aan haar wijsvinger. Een roodbruine vlok slijm nestelde zich in haar neusgat. ‘Gadverdegadver!….’ Kokhalzend veegde ze haar hand af aan de deken, viel achterover en sloot opnieuw haar ogen.

‘Haihohaiho, ontbijtbuffet to go….! Goedemorgen Roodkapsel’! Zeven dwergen dansten vrolijk haar slaapkamer binnen. Samen droegen ze een dienblad met daarop een kannetje koffie, 9 eieren en een dozijn croissantjes.
‘Heb je het leuk gehad gisteren?’, vroegen de ventjes zevenstemmig in koor. Ze wierpen een nieuwsgierig knikkende blik op de ranzige Wolf naast haar op de grond. Het beest hield, met de tong naast zijn bek, een lege fles in zijn poten geklemd.

Roodkapsel greep de eerste de beste pygmee binnen handbereik bij zijn lurfjes en manoeuvreerde hem tussen haar vlezige dijen. ‘Vertel me wat je daar ziet!’, siste ze.
Grumpy, de lucky bastard, haalde diep adem en verdween, mutsje eerst, in haar schoot. Hoestend en proestend kwam hij even later weer boven en nog voordat hij Roodkapsel antwoord gaf, deponeerde hij een spartelend vlekje op haar buik.

‘Oh wat leuk, je hebt huisdieren. Kijk, een bijna geplet Platje’.
‘Zeg me wat je daar ziet, pannenkoek!’ Herhaalde Roodkapsel giftig. ‘Nou,.. uh… Het ruikt daar naar Maggi’. Sprak de dwerg overdonderd. ‘En zo ziet het er ook uit. Als een half opgelost bouillonblokje in een grote pan met goulash’.
Woest gooide Roodkapsel de kabouter van zich af. Hevig krabbend aan haar enorme mossel probeerde ze zich de afgelopen nacht voor de geest te halen. Maar haar bonkende hoofd was te vertroebeld om van alle vage flitsen één verhaal te maken. ‘Wat is er in Godsnaam gebeurd!?’, vroeg ze tergend langzaam aan het groepje dwergen.

Met één klein groot teentje draaiend op de vloer en zijn handjes op de rug antwoordde Grumpy; ‘Nou, uh… We hebben je een beetje gegeseld en een beetje ge..uh..gangbanged.’ De Boze Wolf smakte en mompelde wat.
‘Oh!… Een beetje gegangbanged, hè? En heeft die stinkdeken daar soms ook aan meegewerkt?!’, zei Roodkapsel venijnig, wijzend naar de wolf. ‘Heeft die vlooienbaal me toevallig ook anaa…’
Haar tirade werd ruw onderbroken door luid gebons op de voordeur. ‘Ga kijken wie daar is!’ Commandeerde Roodkapsel de kleinste dwerg kwaad en herhaalde vervolgens haar vraag. ‘Hebben jullie mij door dit stuk vreten soms ook te grazen laten nemen?!’
‘Nou,… uh, een beetje’, zei Grumpy schoorvoetend.
‘Een beetje te grazen laten nemen, hè? Moooi! En hebben jullie per ongeluk nog een beeetje opgelet of dat een beeetje veilig is gegaan?!’ Sprak ze cynisch.

Nog voordat ze haar vraag beantwoord kreeg, rende een opgewonden Sneezy de kamer binnen, niet veel later gevolgd door een jongeman gekleed in een prachtig kostuum. ‘Het is de prins! Hatsjie. Het is de prins!’ Nieste de kleinste dwerg.

‘Goedemorgen tezaam. Mijn excuses dat ik zo onaangekondigd kom binnenvallen, maar ik word geacht te trouwen met degene die dit glazen muiltje past’, sprak de prins met een verwijfde stem. Om zich heenkijkend constateerde hij teleurgesteld dat alle kleine, lieve, schattige, fluweelzachte gnoomvoetjes niet in het muiltje zouden passen. Nog voordat hij verder iets kon zeggen duwde Roodkapsel haar voet onder zijn neus.
‘Hier!! Probeer deze maar! Moet passen!’ Beleefdheidshalve deed de prins een halfslachtige poging, maar het lukte hem uiteraard niet om een maat 46 metende voet van de vleesberg in het frêle muiltje te persen.

De stilte die volgde werd bruut verstoord door een lange laveloze ruft vanaf de grond. De Boze Wolf had zich op zijn buik gedraaid. De afgeleide prins keek naar het halfnaakte, mannelijk behaarde lichaam.
Opgehitst door de contouren van het strakke, stoute wolvenkontje riep hij snel en opgetogen; ‘Iedereen mag het muiltje passen! Iedereen!’
Met grote passen liep hij om de bedstee van Roodkapsel heen, maar struikelde onderweg in zijn enthousiasme over de rand van het karpet, stootte zijn schouder tegen de boekenkast en kwam ten val. De boekenkast kantelde door de botsing voorover en viel met een harde, doffe klap bovenop de prins. Als door een bij gestoken ontwaakte de wolf uit zijn diepe slaap.
De dwergen snelden te hulp en probeerden de prins aan zijn pijpen onder de kast vandaan te trekken. Al graaiend trokken de veertien kleine handjes echter alleen de broek van zijn prinselijke bips. Onder de satijnen pantalon ontwaarden zich roze jarretels die twee witte netkousen op hun plek hielden. De dwergen deinsden geschrokken terug.

Met stomheid geslagen zagen ze allemaal hoe de prins zichzelf onder de boekenkast vandaan wurmde en zijn weg al tijgerend naar de wolf voortzette. Zwoel grommend stak het beest zijn poot naar de prins uit. Het schoentje gleed om de poot van het vervaarlijke dier als een draad door het oog van de naald. En met dat perfect passend glazen muiltje om zijn wolvenpoot aaide het dier de prins liefdevol over zijn goed gecoiffeerde kapsel.

Zo beloofde deze zonnige ochtend toch nog een mooi begin te zijn van een bijzondere dag! De prins was blij omdat hij ‘onder de kast vandaan was gekomen’. De Wolf was gelukkig met zijn onderdanige prinsenspeeltje. En Roodkapsel…?! Zij bleek achteraf nog een alleszins goed te behandelen SOA te hebben aan haar bruinrode kapje.

Trio-column geschreven door Pierken, Yfs en Nachtzuster.


Nachtzuster

Ik doe iets aan jouw pijn.

3 reacties

Mien · 5 september 2012 op 09:02

Sterk spul, die sprookjes.
Vloeiend triootje. 😀
Wie het muiltje past trekke hem aan.

Mien

Sagita · 5 september 2012 op 09:49

Stevige kost zo op de vroege morgen nog zonder zelfs een kop koffie op. Ik kan me zo voorstellen dat jullie veel pret hebben gehad tijdens het schrijven van dit triootje, maar dat is vast in de nachtelijke uurtjes geweest!
Groet Sa!

Fem · 8 september 2012 op 08:32

Wat een heerlijk ranzig verhaal! Duidelijk een trio-tje 😉

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder