In de reflectie van het raam zie ik een gezicht. “Kom je bij me zitten?,” vraag ik. Ze twijfelt. Ik roer in mijn veel te dikke soep. Ik blijf roeren, net zolang tot de soep te koud is om nog op te eten. Eten is voor de levenden. Ik leef niet, ik overleef. Ze komt niet meer bij me zitten, besluit ik. Ik sta op, verzet drie stappen, en leun met mijn rug tegen de muur. Langzaam laat ik mezelf omlaag glijden. Ik kuch. Waar zijn mijn sigaretten? Ik kuch opnieuw. Mijn sigaretten zitten geplet in de achterzak van mijn broek. Waar is mijn vuur? – Het voelt koud vanbinnen -. Mijn vuur ligt nog steeds op de keukentafel.

[i]Het wezen van de nacht klopt driemaal op de deur.

“Ik ben het nachtelijk wezen,” zegt het wezen van de nacht.
“Maar nachtelijk wezen, het is nog immer dag.”
“Dan kom ik later weer terug,” zegt het wezen van de nacht.[/i]

Spookachtige silhouetten spreiden zich uit op de muur. Ze dansen, stuk voor stuk dansen ze. “Kom hier,” roep ik. “Dans over mijn gezicht.” Ze komen niet, ze houden van muren. Ik veracht ze. Niet de silhouetten, maar de muren.

Ze zijn te confronterend, te isolerend.

Ik kijk omlaag en ontdek patronen in de plavuizen keukenvloer. Ik zie goden, gezichten, gebouwen en bruggen. En dan komt de zon als een ongenode gast. Dit is geen moment voor zon. Dit is een moment voor regen. Voor herfstachtige luchten, kleurloos verdriet.

[i]Het wezen van de nacht klopt driemaal op de deur.

“Ik ben het wezen van de nacht,” zegt het nachtelijke wezen.
“Maar nachtelijk wezen, het is nog steeds geen nacht,”
“Ach, dan ben ik weer te vroeg,” zegt het wezen, en lacht.[/i]

In de reflectie van het raam zie ik een gezicht. “En, kom je nu dan bij me zitten?,” vraag ik. Ze schudt haar hoofd. Ik sta op en loop terug naar de keukentafel. Ik neem plaats, en roer in mijn veel te dikke soep. Ik blijf roeren, de soep is te koud om nog op te eten. Eten is voor de levenden. Ik leef niet, ik overleef.

[i]Het wezen van de nacht klopt driemaal op de deur.

“Ik ben het wezen van de nacht,” zegt het nachtelijke wezen.
“Is het nu al twaalf uur?” vraag ik het wezen van de nacht.
“Ja, en ik snak naar koude soep,” zegt het wezentje zacht[/i]

Categorieën: Fictie

10 reacties

Avatar

emaessen · 2 juli 2006 op 15:20

Wat klinkt dit weer gadverdamde pessimistisch. Ga een vrouw te lijf als een schaakstelling, zie hoe je voordeel te doen van het feit dat je over het geschikte attribuut beschikt!

boddisatva 😀

Avatar

Prlwytskovsky · 2 juli 2006 op 15:49

Desnoods bevroren soep. Mooi beschreven.

Avatar

Mosje · 2 juli 2006 op 16:25

Er zijn bepaalde soepen die je koud dient te eten. Nu de mussen hier dood van het dak vallen, zou ik best een dergelijk soepje lusten.
Zo omstreeks einde juni, begin juli, is het maar een slechte periode voor de wezens van de nacht. Nachten duren kort, nauwelijks tijd om driemaal op een deur te kloppen.

Avatar

DreamOn · 2 juli 2006 op 20:27

Ik ben een nachtméns, maar ik hou eigenlijk wel heel veel van de zon…
Ik begrijp je column niet, maar het intrigeert wel om te lezen.

Avatar

KawaSutra · 2 juli 2006 op 20:41

Wat eenzaamheid doet met een mens.

Avatar

Ma3anne · 2 juli 2006 op 21:16

Weer zo mooi bizar en poëtisch. Waar haal je het allemaal vandaan!

Avatar

Mup · 3 juli 2006 op 01:27

Eens met emaessen en Ma3, en ik ga er maar vanuit, dat de soep nooit zo heet gegeten wordt, als hopgediend, of iets in die strekking,

Groet Mup.

Avatar

KingArthur · 3 juli 2006 op 09:35

Maar de soep wordt nooit zo heet gegeten…

Avatar

Li · 3 juli 2006 op 22:53

Vandaag kreeg ik een vreselijk bericht te horen. Ik kon de juiste woorden niet te vinden. Jij beschreef precies hoe ik me voelde.

[quote]En dan komt de zon als een ongenode gast. Dit is geen moment voor zon. Dit is een moment voor regen. Voor herfstachtige luchten, kleurloos verdriet[/quote]

Li

Avatar

senahponex · 4 juli 2006 op 12:11

Heerlijk onverwacht zo’n vreeemdeling in de nacht.
En ik vindt het knap dat je deze nachtelijke belevenissen op deze bijzondere en briljante manier op papier krijgt en wilt delen.

Geef een reactie