Daar, tussen de vodden en de vuiligheid zag ik je voor het eerst. De lichte blos op je wangen stak grimmig af tegen de grauwe omgeving waar jij je zo gracieus in voortbewoog. De ontzielende oorlog was aan jou voorbij gegaan. Onaangeroerd. Althans zo leek het. Later zou je mij vertellen dat je te trots was geweest om je over te geven aan de weemoed en wanhoop. Net als ons vaderland was ik verloren. Verliefd volgde ik gewillig jouw voetstappen en vergezelde je gretig naar iedere dagelijkse bestemming.
Met je snelgroeiende buikje was er geen tijd meer te verspillen. Samen met twee prachtige kleine meisjes verlieten wij vriend en vijand. De reis naar de veilige haven duurde oneindig lang. Vlees en vitaminen waren schaars. Tot op de dag vandaag lust ik geen konijn meer. De onmiskenbare geur brengt me de herinneringen van hulpeloosheid.

De term ‘Indische Nederlander’ werd ons duidelijk toen we aankwamen in kamp Tongelre. We waren vluchtelingen in ons eigen vaderland. Met grote moeite probeerden wij ons te redden met ons Algemeen Beschaafd Nederlands bij de Brabantse bakker en kruidenier.

Wat waren we gelukkig. “Wat zou je nog meer kunnen wensen?” antwoordde je altijd wanneer ik weleens hardop om wat meer overbodige luxe verzuchtte. Die jaren vlogen voorbij. De eerste kleinkinderen waren je grote liefde, maar jij bleef die van mij.

Genieten kon je van de kleinste dingen; een kruiswoordpuzzel in de krant, een druifje uit de tuin of een stukje versgebakken rempeyek. Je had de grootste waardering voor alles en niets, en ik voor jou.

Binnen een kwartier was je weg. Ik had altijd gehoopt dat ik je voor had mogen gaan. De leegte in ons mooie huis probeerde ik te vullen met jouw foto’s. Jonge en oude. Ik riep je naam onafgebroken en liet je spullen onaangeroerd. Klampachtig probeerde ik jouw geur in mij op te slaan voor hij zou vervliegen. Vergeefs.

Met jou stierf de ziel van de familie. Jouw geliefde kerstavond veranderde in een verplichting en werd uiteindelijk vergeten. Ik heb het nog geprobeerd; honderden zalvende woorden in de poging om de onenigheden tussen de kinderen te lijmen. Maar onze meisjes luisteren niet meer naar mij.

Waarom zouden ze ook?

“Een jaar, hoogstens.” zei de dokter gistermiddag. Twaalf jaar te laat mompelende ik nog. Elf maanden, dertig dagen en twee uur, Nina. Een eeuwigheid, nu ik weet dat ik je snel weer zal zien.

De rozen zijn prachtig dit jaar. In het najaar zal ik ze verplaatsen, bij ons graf, achter het gaas. Die rotkonijnen ook. Ze vreten alles kapot. Ik heb Amy op het hart gedrukt om er goed op te letten. Ze heeft het heel moeilijk met mijn ziekte. Ik ben alleen verdrietig voor haar. Iedere maandag zit ze bij me, wist je dat? Ik zal haar missen, maar ik mis jou meer.

Ik ben er klaar voor. Ik ben niet angstig voor wat mij te wachten staat. Het enige wat mij s’ nachts wakker houdt zijn de zenuwen. Ik ben nerveus om je weer te zien. Kun je het je voorstellen?

Snel, mijn lief. Snel.

Voor altijd de jouwe…


10 reacties

maurick · 4 maart 2009 op 13:16

Het stukje is eigenlijk te persoonlijk om er een genuanceerd oordeel over te kunnen vellen. Ik vind het vooral mooi en het ontroerd me.

Sterkte.

Grace · 4 maart 2009 op 14:35

Dankjewel, maar het is mijn opa’s verhaal in mijn woorden, dus alle eer gaat naar hem.

Een bijzondere man met bijzonder veel liefde!

Mosje · 4 maart 2009 op 17:57

Je kunt prachtig schrijven Grace, maar er is iets aan de hand met je stukjes.
Als een schrijver een roman schrijft, in de ik-vorm, vanuit het perspectief van een ander dan de schrijver zelf, dan kan dat heel goed.
Maar columns blijven veel dichter bij de schrijver, het zijn eigenlijk altijd persoonlijke verhaaltjes. Nu kun je ook in een column wel vanuit verschillende perspectieven schrijven, of dingen fantaseren, of jezelf in een ander verplaatsen, maar het geschrevene komt toch niet echt helemaal los van de schrijver.
Althans, dat is mijn mening.
Vandaar dat ik ook direkt dacht, nadat ik je stukje gelezen had, god, wat is er met Grace aan de hand? Na je uitleg blijkt het je opa te betreffen. Nogmaals, mooi geschreven, maar ik heb nu toch het gevoel dat ik op het verkeerde been ben gezet. En zoiets is, neem ik aan, niet je bedoeling.

doemaar88 · 4 maart 2009 op 18:18

Knap dat je dit zo hebt neergezet. Erg persoonlijk. Mooi gedaan

lisa-marie · 4 maart 2009 op 18:27

ik had wel meteen in de gaten dat het hier een oudere heer betrof en gaandeweg jouw opa.
Het is knap neergezet ,zonder al teveel toevoegingen.
Ik heb genoten!

arta · 4 maart 2009 op 20:49

Ik dacht ook: “OMG, ze gaat dood!!”
Maar voor jouw uitleg en erna blijft dit een stukje dat mij ontroert.
Het is mooi.

pally · 4 maart 2009 op 22:28

Erg mooi en teder geschreven, ook al begreep ik vóór jouw uitleg niet wie wie was. Nu ik het weet raakt het toch meer.
Met Mosje hou ik in het algemeen meer van stukjes vanuit eigen perspectief geschreven. Nu was er uitleg nodig. Ik laat me daar zelf ook soms toe verleiden. Toch is het altijd jammer dat het nodig is.
Evengoed :wave:

groet van Pally

Grace · 5 maart 2009 op 10:29

Jullie hebben natuurlijk allemaal gelijk, in eerste instantie was ik ook begonnen met mijn opa die het verhaal aan mij vertelde.
Maar dan lukte het niet om hem tegen mijn oma te laten praten (zoals hij dat nog steeds iedere dag doet) en dat vind ik juist het mooiste.

Maar iedereen heel erg bedankt voor jullie reacties! Ik ben blij dat jullie hem net zo bijzonder vinden als ik!

Mien · 5 maart 2009 op 10:51

Gracieus beschreven.
Ik, hij, zij, wij, u, jij, we moeten er allemaal aan geloven.
Dat is een duidelijk perspectief dat je hier knap beschrijft.
Hulde aan Grace en haar Opa.

Mien

Ma3anne · 6 maart 2009 op 12:55

Mooi geschreven verhaal. Ook zonder de uitleg dat het over je opa gaat.

Geef een antwoord