Lang geleden – zo’n 70.000 jaar voordat Derek Chauvin zijn knie in de nek van George Floyd plantte –  zag het er niet naar uit dat wij de evolutionaire wapenwedloop gingen winnen. Er liepen op dat moment slechts 12.000 homo sapiens op de wereld rond. Van deze relatief kleine groep stamt ieder momenteel levend mens af – jij en ik, Derek en George, Ernst en Bobbie, en de rest. Nu wij over de wereld regeren wordt het steeds meer duidelijk dat wijzelf onze enige noemenswaardige vijand zijn. En ik vrees dat de oorzaak van dit succes ook de oorzaak van onze ondergang kan worden. Staat u mij toe?

De mens heeft een uniek vermogen tot flexibele samenwerking in grote groepen. Dit vermogen is de voornaamste reden van ons succes. Dit maakt het mogelijk om pandemieën als COVID-19 effectief te bestrijden. Ook massademonstraties en slavenhandel kunnen hierdoor georganiseerd worden. Er zijn ook andere dieren die flexibel kunnen samenwerken. En ook zijn er andere dieren die in grote groepen kunnen samenwerken. Wij zijn echter de enige soort die deze twee vermogens combineert tot een dodelijke cocktail. En dit vereist – om maar even in het register van een Amerikaanse strafzaak te blijven– means, motive and oppurtunity.

Het menselijk motief dat flexibele samenwerking op grote schaal faciliteert is ons gezamenlijk geloof in abstracte, door de menselijke geest gecreëerde entiteiten. Wij leiden ons leven aan de hand van verzonnen verhalen. Bekijk ter verduidelijking eens naar de week van een doorsnee burger: op maandag tot en met donderdag rent hij als BOA weg voor boze menigtes. Op vrijdag gaat hij naar school om een diploma te halen. Op zaterdag speelt hij een voetbalwedstrijd en op zondag begint hij de nieuwe week in de kerkbanken. Achter al deze activiteiten schuilt een door de collectieve menselijke geest bedachte, abstracte entiteit: een BOA handhaaft op basis van gezamenlijk opgestelde wetteksten; zijn diploma heeft alleen waarde omdat de samenleving waarde hecht aan het betreffende opleidingsinstituut; zijn voetbalclub bestaat bij de gratie van de leden en supporters; en de gemeente waarmee hij bidt gelooft gezamenlijk in dezelfde, fictieve God. Zelfs de dagen van de week heten zo omdat iedereen ze zo noemt.

Grootschalige gebeurtenissen in de sociaal-maatschappelijke context kunnen plaatsvinden door onze overeenkomstige motieven. Oorlogen, ontdekkingsreizen, vredesbesprekingen, grote sportevenementen – allemaal vinden ze plaats onder de vlag van een natie, God of organisatie. Deze entiteiten bestaan slechts in onze geest, maar maken het mogelijk de natuurlijke barrière van 150 samenwerkende individuen te passeren. Chimpansees kunnen gezamenlijk jagen in groepen van tientallen apen, omdat ze allemaal voedsel willen. Ze zullen echter nooit met 11.000 samenkomen omdat Sparta Rotterdam weer eens tegen RKC Waalwijk voetbalt. Het verhaal verbindt ons.

Wil een verhaal succesvol zijn, zijn er op zijn minst twee voorwaarden: iemand moet zijn mede-aanhangers makkelijk herkennen, en het verhaal moet overgedragen kunnen worden op de volgende generatie. De twee middelen die dit mogelijk maken onderscheiden ons verder van de rest van het dierenrijk: cultuur en taal. Cultuur fungeert als een dynamische databank van gebruiken en vaardigheden. De manier waarop je voedsel bereidt, trouw belooft aan je God en hoe je omgaat met je buurman – alles is gedetailleerd opgeslagen in een culturele gereedschapskist. Met taal als medium is het overdragen van dit mentale gereedschap extreem vergemakkelijkt. In plaats van eindeloos voordoen hoe je met een steen een noot kraakt, kan je het ook ‘gewoon’ vertellen.

Onze culturele gereedschapskist is echter niet universeel. Gebruiken en vaardigheden zijn aangepast aan de omgeving. Een individu is er op ingesteld om deze gewoontes over te nemen van (oudere) groepsgenoten.  Deze hebben immers gewerkt voor de generaties voor ons. Tevens is na-apen een slimme manier om er voor te zorgen dat je je conformeert aan de gedragingen van de rest van de groep. En dus is het basisprincipe van culturele en genetische evolutie hetzelfde: kopiëren. Voor onze generatie – die zichzelf graag als individualistisch beschouwt – is het wellicht moeilijk te accepteren, maar al vanaf onze geboorte zijn wij continue aan het ‘copy-pasten’. Twijfel je hier aan, ga dan eens na hoe veel dingen je hetzelfde aanpakt als je ouders. En ben jij die tegendraadse bad-ass die niets doet zoals zijn opvoeding voorschreef, vraag jezelf dan af wie je wel kopieert

Het kraken van een noot is een direct toepasbare vaardigheid waarvan het nut meteen duidelijk is: calorieën binnenkrijgen. Cultuur is echter veel meer dan vaardigheden alleen. Bekijk je kleding eens, of de sieraden die om je nek of pols hangen. Misschien heb je tatoeages laten zetten, draag je make-up of herken je één van de duizend-en-één andere mogelijkheden van een cultureel bepaald voorkomen. Of misschien staat (of stond) er een standbeeld van een slavenhouder voor je deur. Deze gebruiken hebben geen direct evolutionair nut. Indirect zijn dit soort decoraties echter extreem belangrijk – ze tonen medestanders dat wij tot dezelfde groep behoren. Ze tonen dat we in hetzelfde verhaal geloven als de gemeenschap en ons conformeren aan de sociale normen van deze groep. In ruil daarvoor biedt de gemeenschap ons de benodigde bescherming.

Wanneer wij iemand herkennen die geen onderdeel is van onze gemeenschap, gaan de alarmbellen af. Door hen te bestempelen als een buitenstaander bewaken we de buitengrenzen van onze groep en verstevigen we onze eigen positie daarin. Dit gaat gepaard met griezelige, cognitieve processen: zien we leden van onze eigen gemeenschap, dan herkennen onze hersenen personen, wat ons de mogelijkheid tot empathie verschaft; kijkend naar een buitenstaander, vertonen onze hersenen dezelfde activiteit als wanneer wij naar voorwerpen kijken. Hierbij komt geen oxytocine vrij, een neurotransmitter cruciaal voor een eigenschap als empathie. Onze hersenen dehumaniseren buitenstaanders.
Wij zijn niet gelijk. Wij zijn niet gelijk omdat onze hersenen elkaar niet als gelijke beoordelen. Gelijkwaardig zijn we zeker, maar we zijn zeker niet gelijk. Dit is geen nieuwe gedachte, maar wel een gedachte die wordt weggedrukt naar de achtergrond van het publieke debat door irrationele, politiek correcte argumenten. Zolang deze gedachte niet een van de uitgangspunten van het racismedebat is, komen we echter niet verder.

De titel van dit stuk is gechargeerd. Wij zijn niet per definitie racistisch. Wij zijn wel allemaal, in meer of mindere mate, van nature xenofoob. De paradox is dat deze xenofobie ons heeft gebracht tot waar we nu zijn. Het helpt ons de sociale structuren in stand te houden die samenwerking op grote schaal mogelijk maakt. Met wereldoverheersing als gevolg. Gelukkig is de menselijke geest een flexibel wonder. Er is slechts een generatie nodig om vooroordelen over bepaalde groepen te laten verdwijnen. Wanneer een individu de kans krijgt (en de wil heeft) zich in ieder geval gedeeltelijk aan te passen, zullen zijn kinderen al veel makkelijker opgenomen worden door de gemeenschap. Deze theoretische mogelijkheid biedt ons hoop. De crux zit hem in het minder exclusief maken van de heersende cultuur. Dit kan op veel manieren. Gelijke kansen in het onderwijs, verplichte quota’s op de arbeidsmarkt en een meer divers aanbod van symbolen in de publieke ruimte zijn slechts enkele ideeën. Als reactie op een steeds meer heterogene samenleving, zullen wij een nieuw, gezamenlijk verhaal verzinnen. Wij zullen gaan geloven in een meer inclusieve gemeenschap, en onze gebruiken en symbolen daarop aanpassen.

De beste oplossing lijkt mij echter om te accepteren dat racisme, discriminatie en xenofobie nooit volledig zullen verdwijnen. Het is onze zwakte en onze kracht. Wij zullen ten allen tijde buitenstaanders nodig hebben om onszelf als onderdeel van een gemeenschap te kunnen beschouwen. Wanneer we dit oordeel niet vellen op basis van huidskleur, geloof of sekse, zullen we dit doen op basis van de gerechten die we eten, de schoenen die we dragen of de muziek die we luisteren. Een schrale troost: dit lijken mij in ieder geval leukere en belangrijkere discussies dan de discussie die we nu aan het voeren zijn.


JC

Studeert in de hoofdstad, leeft in de Keistad.

1 reactie

Nummer 22 · 26 juni 2020 op 07:51

Precies!! Hugo de Jonge voorop met zijn schoen fetisjisme! Alexander als nazaat van rovers, dieven en onderdrukkers en all colour matters

Geef een reactie