‘Zijn jullie d’r alweer?’ Karel van Noort, eigenaar van café ‘Mijn held’ keek ons verbaasd aan.
Hij stond achter de bar glazen te poetsen toen wij binnenkwamen. Het was vier uur in de middag. We hadden hard gereden. Buiten was grijs en grauw. De zon wilde niet doorbreken.
Ik knikte. Hoe kregen we zo snel mogelijk die band weer in die glazen kast. Ik had er een eenvoudig scenario voor verzonnen. Ik hield die vent aan de praat en Willem deed het omgekeerde van vorige keer. Ik liep naar de bar en ging zitten. ‘Eerlijk gezegd zijn we gekomen omdat we
een aardig verhaal te vertellen hebben.’
Ik keek Willem aan. We hadden afgesproken dat Willem zo snel mogelijk dat
museum zou ingaan en dan die band terug zou stoppen in die doos.
‘Verhaal?’ vroeg Karel
‘Maar doe me eerst maar eens een pilsje,’ zei ik. Het zou voor mij alles
makkelijker maken. Dan kwam ik los. Belangrijker was dat ik de aandacht trok van die vent.
Karel pakte een glas en begon een pilsje te tappen.
‘Ken jij de Hokusai Fanclub?’ vroeg ik plompverloren.
Willem stond naast me en grijnsde breed.
‘De Hokusai Fanclub?’ vroeg Karel verbaasd.
‘Lopen allemaal Hokusais rond in ouwe gordijnen. Je kunt er capes kopen maskers en knuppels. Je weet niet wat je ziet!’
’Nooit van gehoord,’ zei Karel. Nu had ik zijn aandacht. Maar nog niet genoeg.
‘Let op,’ ging ik verder, ‘we komen daar binnen en plotseling hoor ik iemand achter me schreeuwen…’
Karel keek me aan en greep een volgend glas om dat te poetsen. Hij vroeg niet waarom er geschreeuwd werd of wat er aan de hand kon zijn. Het deed hem niets. En toch moest ik zijn aandacht vasthouden.
Plotseling zag ik achter hem zo’n rood kastje van het brandalarm. Ik kreeg het er warm. Ik had opeens een visioen vol lawaai en paniek. Want deze vent bleef alles maar in de gaten houden. Dat zou pas veranderen als er ergens een bom viel, iemand amok maakte of als er opeens een paar agenten binnen zouden stormen.
‘Echt,’ probeerde ik enthousiast, ‘zoiets heb je nog nooit gezien.’
‘Ikmotpisse,’ zei Willem. Hij draaide zich om en liep naar het toilet.
‘Dus allemaal gekken om je heen,’ merkte Karel op.
Ik keek hem met grote ogen aan.
‘Grote kerels als Hokusai Bon, dan ben je toch wel een beetje geschift,’ vond Karel.
Ik zag uit mijn ooghoeken Willem ‘heren’ voorbijgaan en de volgende deur pakken. Mijn hart klopte in mijn keel.
‘En ik heb daar Minnie Soeters gesproken,’ zei ik. ‘Ik moest zijn aandacht trekken. Hij mocht vooral niet in de gaten hebben dat Willem een andere deur binnenging.
‘Die trut!’ reageerde Karel gebeten.
‘Liep rond in een Hokusai pak,’ grijnsde ik. Ik had zijn aandacht, dat moest zo blijven.’
‘Ik mag dat mens niet,’ zei Karel boos. ‘Ze haalde allemaal dingen uit de Hokusai verhalen die nergens op sloegen. Ze wilde ook nog van me weten hoe mijn vader was.’
‘Dat heb je vast niet verteld,’ begreep ik.
‘Nee, natuurlijk niet!’ Hij keek me fel aan. ’t Is mijn vader. Ik wil niet dat ze daar rare dingen over schrijft!’
Willem was door de deur verdwenen. Nu moest toch echt die bom gaan vallen of die agenten komen binnen rennen. In ieder geval moest er iets onverwachts gebeuren zodat Karel alleen daar maar aandacht voor zou hebben.
Ik keek zoekend rond. Zou ik een stoel door het raam gooien? Of gewoon eens hard op de bar slaan. Op mijn kop gaan staan? Of iets onzinnigs zeggen: Karel ik ben verliefd op je!
‘Wat zag ik nou?’ gromde Karel. ‘Waar ging dat maatje van je heen?’
Hij beende met grote stappen achter de bar vandaan en liep op de deur af die toegang gaf tot het museum.
‘Naar de wc,’ riep ik. Er klonk duidelijk wanhoop in mijn stem. Alles was nu verloren. Ik kon hem niet tegenhouden. Karel verdween door de deur.

Categorieën: Hokusai bon

0 reacties

Geef een reactie