“Bestemming bereikt” klonk het plotsklaps van boven het dashboard.
Django had deze woorden schijnbaar begrepen, want hij ging meteen rechtop zitten en begon spontaan te hijgen. Het welkomsbord van Kisvidék stond als een eenzame lifter in de besneeuwde berm te wachten. Uit de overgebleven letters van een potje scrabble had men de tekst “üdvözöljük a Kisvidéken” op het bord tevoorschijn getoverd.
‘Kijk, we zijn er, het bord!’ kirde Toos.
Terwijl haar blik strak op het bord gericht bleef, zochten haar handen paniekerig naar haar schoenen onder het dashboard.

Aan de linkerkant van de weg lag, hoog tegen een heuvel geplakt, het kerkhof van Kisvidék. Slechts een paar hoge ranke grafstenen staken boven de sneeuw uit. Ze tekenden lange hoekige schaduwen op het sneeuwdek waardoor het leek alsof de benige vingers van de Dood naar de voorbijrijdende auto wezen en zuchtte: ‘jij bent de volgende.’
‘In jener Nacht wusste Professor Abronsius noch nicht, dass er das Böse…..’ de slotzin uit de klassieker “Tanz der Vampire’ vlamde spontaan op in zijn gedachten terwijl hij diep over het stuur gebogen de omgeving in zich op nam. Gerrit reed stapvoets verder.
‘Hier motte we rechtsaf’ fluisterde hij en schrok van het harde tiktakgeluid van de richtingaanwijzer.

Ze draaiden de hoofdstraat van Kisvidék op. Het maanlicht vulde de hele straat met een blauwachtig licht en een wirwar van stroomleidingen vormde een enorm spinnenweb dat boven de straat leek te zweven. De grote oude lemen huizen stonden zij aan zij, met hun luiken hermetisch gesloten. Het hele dorp was verzonken in een diepe winterslaap. Zelfs de schoorstenen lieten geen rookpluimen meer ontsnappen. De enigen die op dit late tijdstip de komst van de nieuwe bewoners van Kisvidék hadden opgemerkt waren de erfhonden. Hun geblaf begeleidde de stapvoets rijdende BMW helemaal tot aan de andere kant van het dorp. Daar ging de brede straat plotseling over in een smal weggetje dat steil naar beneden liep en toegang verschafte tot het laatste huis van het dorp.
‘Bestemming bereikt’, zuchtte Gerrit.

Het licht van de koplampen bescheen het antieke smeedijzeren hekwerk terwijl Toos de ring met sleutels in het licht hield op zoek naar de passende sleutel voor de zware poort. Gedurende de lange rit had Toos talloze malen de ijzeren ring met roestige sleutels door haar vingers laten glijden en daarbij haar fantasieën over haar nieuwe leven in Hongarije de vrije loop gelaten. Op dit moment was ze zenuwachtig op zoek naar de passende sleutel om de zware poort open te krijgen.
Django duwde zijn kop naar voren en lebberde met zijn natte tong in het oor van Gerrit. Hij zat onderuitgezakt in de warme auto te wachten totdat Toos de poort opengemaakt had.
Wat is ze weer langzaam. Kijk nou toch, hoe ze daar staat te trappelen als een dressuurpaard met ADHD. Als dat nog effe duurt hoef ik niet meer onder de douche, die Djang heeft me dan al helemaal schoongeboend. Nee, douchen doe ik morgen wel, ik ben kapot. De campingbedden, jassus-krastus, ik moet die krengen nog uitladen en inelkaar zetten. Ik blijf in de auto slapen. Op de achterbank, lepeltje liggen met Django, die houdt mij wel warm.

Toen Toos eindelijk de poort had opengeduwd, reed Gerrit langzaam de lange oprijlaan van de boerderij op. Hij voelde zich rijk. Op het moment dat hij de lichten van de auto doofde, begon de realiteit pas goed tot hem door te dringen. Hij had destijds tijdens de bezichtiging het huis goed in zich opgenomen, maar eenmaal terug in Nederland maakten de intense indrukken na verloop van tijd plaats voor vage herinneringen. De afwezigheid van buurhuizen, geen straatverlichting op deze plek, zelfs de blaffende honden die niet meer te horen waren, de rauwe realiteit drong als een kogel zijn lijf binnen.

Toos was ondertussen al naar het huis gelopen. Ze klom het trappetje op naar de veranda en schuifelde door de opgewaaide sneeuw naar de meterkast die naast een van de deuren in de buitenmuur van het huis zat. Met de grote bos sleutels als een reuze bedelarmband om haar pols zochten haar vingers naar de hoofdschakelaar.
Jassus, als we maar licht hebben. Ik kan dat ding wel aanzetten, maar als ze geen lamp hebben laten hangen, zitten we in het donker. Nu de deur nog. Sleutels, welke neem ik als eerste? Dan neem ik die als laatste. Geheid dat het toch de laatste is die past. Ik ga het rijtje af, of, misschien die grote lange met die rare kronkel?
Ze liep naar een deur die vanaf de veranda direct toegang gaf tot één van de kamers van het langgerekte huis. Het slot maakte kreunende geluiden alsof het uit een diepe slaap werd gerukt.

Bij de overdracht van het huis had de eigenaar de grote ijzeren ring met daaraan een twintigtal roestige sleutels aan Toos overhandigd. De oud eigenaar was een bejaarde man die na de dood van zijn vrouw vereenzaamd was achtergebleven in het volle en veel te grote huis. Hoewel hij jarenlang niets meer aan het huis had gedaan, wilde hij ook geen afscheid nemen van de plek waar hij was geboren door het huis te verkopen. Zijn kinderen hadden hem uiteindelijk toch ervan kunnen overtuigen het huis te koop te zetten en bij zijn oudste zoon in te trekken.

Aan het plafond van de grote kamer hing een porseleinen fitting aan een dun tweelingsnoer. Een zwak peertje verspreidde een akelig gelig licht in de muffe kamer. De door schimmel aangetaste prenten aan de muur en de gaten in de stuuk zaten verborgen achter een immense hoop ondefinieerbare troep en allerlei oud meubilair stond tot aan het plafond opgestapeld. Toos leunde tegen de deurpost en zuchtte. Iedere voetstap die Gerrit dichterbij bracht, deed haar ademhaling versnellen.
Het was haar idee geweest om een huisje in het buitenland te kopen en een nieuw leven te beginnen. Ze had vele maanden lang iedere dag gevuld met kijken en zoeken op internet. Het idee om daadwerkelijk te gaan emigreren had haar menigmaal zenuwachtig gemaakt. Op dit moment was het de aanblik van de overvolle kamer die haar zenuwen probeerde door te zagen.

‘Tering, krijg nou tieten’ blies Gerrit vanachter over haar schouder.
Ze voelde hoe zijn adem haar haar in beweging zette. Hij wilde zich langs haar naar binnen wringen maar kwam niet verder dan de deurpost. Snuivend bleef hij naast haar staan.
‘Ze hebben ons besodemieterd, wat een puinbakkenzooi, waar motte we slape, ik ga in de auto liggen’ tierde hij met hoge stem.
Woedend draaide hij zich om, liep over de veranda naar de voorkant van het huis en smeed zijn overjarige Stetsonhoed in de zachte sneeuw. Terwijl Toos op de achtergrond hoorde hoe Gerrit verderop in de tuin bezig was met stoom afblazen, bestudeerde ze gelaten de inhoud van de volle kamer.
Gelukkig hoort niemand hem, dacht ze en begon met het uitruimen van de kamer.


5 reacties

Avatar

Ferrara · 15 maart 2012 op 19:08

Zit ik hier toch naar “Ik vertrek” te kijken?

Avatar

Boukje · 15 maart 2012 op 22:29

Er begint nou goed swing in te komen. En het komt me ook allemaal zo bekent voor. Heel goed geschreven vind ik!

Avatar

SIMBA · 16 maart 2012 op 07:33

Ik zit helemaal in het verhaal!

Avatar

Mien · 16 maart 2012 op 08:00

Deze loopt lekker. Je maakt me nieuwsgierig.

Mien

Avatar

Meralixe · 17 maart 2012 op 14:14

U schrijft zeer goed! Wie ben ik om eventueel kritiek te geven en , ik doe het toch maar dan totaal opbouwend bedoeld.
Het is voor mij, voor mij, net zoals in uw ander schrijven soms wat te lyrisch, te druk.
Voorbeeld: U passeert, met de auto, dat kerkhof. Dat duurt in werkelijkheid, ik zeg maar wat, 20 seconden. Dan beschrijft U op een sublieme wijze dit tafereel in enkele prachtige lange zinnen die er wel voor zorgen dat het tempo uit het verhaal gehaald wordt.
Dus, tien op tien voor het schrijven maar enige afwisseling, bijvoorbeeld een alinea die de volle aandacht heeft voor het verhaal met daarop volgend enkele alinea’s waar je dan de schetsende tour op gaat waar je zo sterk in bent zou het stuk waarschijnlijk wat luchtiger maken, denk ik…. :pint:

Geef een antwoord