Asociaal treingedrag

Dit is alweer zo’n ochtend waarbij ik meteen denk: had ik me maar ziek gemeld. Dan lag ik nu nog in een warm bed, bedolven onder dromerige dons. Maar helaas: als de wekker krijst, roept de plicht en door dat besef sta ik hier vandaag opnieuw op het perron. Het is geen weer om een hond door te jagen. Deze duisternis maakt alles uiteraard nog vervelender. Zodadelijk besmetten de koplampen van de trein een zeventigtal mensen met zowat de meest acute vorm van ongeduld.

Asociaal busgedrag

Het is dinsdagmiddag. Omdat er, op mij en drie jongeren na, nog niemand op de bus zit en deze binnen vijf minuten vertrekt, ben ik er redelijk gerust in dat ik geen last zal ondervinden van maatschappelijke randgevallen. Een van de jongeren echter zet zijn muziek loeihard. Een oorverdovende bas trilt door het voertuig heen. De chauffeur gaat naar de jongen toe en vraagt vriendelijk of hij zijn muziek wil uitzetten. Deze kan door zijn aanzienlijke arrogantie uiteraard niks anders dan lachen.

Fakebook

Zeer typerend voor de flitsende sociale netwerksites van deze tijd zijn: de miljoenen bewerkte foto’s die dagelijks worden geüpload, de ultrapersoonlijke weblogs aangekleed met allerlei overdrijvingen in een poging tot interessant zijn en natuurlijk ook het cruciale gastenboek, volgeklad met het meest onzinnige geleuter, dat enkel door iets als ‘de mens’ kan worden bedacht. Komt dit u bekend voor? Bent u ook zo’n onmisbaar persoon met 200 vrienden waarvan er 150 fake zijn en 30 onbestaand? Voel u dan gerust geroepen om u te laten onderdompelen in mijn confronterende waarheid over uw waarachtig maar helaas minuscuul bestaan.

Gestorven en verwelkt

“Je zal net als hem naar het licht toegroeien, met een sterke schors die je beschermt. De buitenwereld zal deze beschimmelen, maar treur niet, je ware wortels zitten te diep onder de grond om ze te kunnen treffen. Tenzij een storm hen doet steigeren van wanhoop, wanneer ze losbreken en hun gevoeligheden tonen. Liefdesschichten kunnen fataal zijn, maar ooit zal je weer leven, ook al zijn je bladeren verkoold.”

A warm place

Zijn ogen waren al dagen gericht op de horizon. Hij zat er maar te staren, verhongerd tot op het bot. Die honger zou nooit meer gestild worden. Ze was niet meer. Toen ze een steeds kleinere stip werd, was hij uitgeput in het zand gevallen. Eerst wilde hij zich niet verroeren. Hij wilde gewoon sterven, maar kon het niet. Na een sterrenloze nacht had hij zich rechtgezet en was hij haar achterna gestrompeld. Het eind van de vlakte verschoof, naarmate hij naderde, verder weg. Het was hopeloos. Hij kon enkel nog aan zelfmoord denken, maar hij had noch de middelen, noch de moed en was gedoemd om rond te zwerven.

De afrekening

Acht uur ’s avonds. Bijna examens. Zwijg me van de stress. Ik heb heel wat aan mijn hoofd, geloof me, maar in gedachten ben ik alsnog bij jou. De allerlaatste keer, doch dat weet ik pas later.

Ex-liefde

‘Mijn hart klopt niet meer voor jou.’

Hij stond aan mijn graf, toen hij die woorden uitsprak. Het werd weer ijzig stil op het kerkhof, alleen de wind zong af en toe haar klaaglied. De kale boomtoppen vingen het akelige gezang op. Hij had geen bloemen meegenomen. Vroeger, toen hij thuiskwam en zijn thuis nog mijn thuis was, nam hij vaak bloemen mee.

I didn’t catch the train

Toen ik jong was, waande ik me nog gelukkig. Of de kinderen van vandaag het zijn? Ik vrees van niet. Vroeger was ontspanning je vingers in een pot verf doppen en papier volkladden. Dat was leuk en ongevaarlijk, tenzij je de pot verf voor yoghurt aanzag. Vanmiddag hoorde ik tot mijn grote verbazing wat de laatste rage onder jongeren is: perron-springen.

Something I can never have

Hij preste zijn lippen zuchtend op elkaar, toen hij zag wat hij had aangericht. Het huis lag in puin. De muren, het dak, het bed, de kasten. Het waren gebroken stukken rot hout, vermorzelde stenen. Het as van zijn hartvuur smeulde nog wat. De storm had alles verwoest, op zijn geliefd instrument na. Hij had verlamd toegekeken, hoe de waarheid door zijn droom raasde. Het gedonder van dode illusies, de schichten van stervende leugens.

Zwijgen als een graf

“Ik moet je iets vertellen.” Verder dan deze vijf woorden kwam ik niet. Ik zweeg. Mijn hart ging sneller te keer, zoals mijn ademhaling. Ik was gespannen. Dat deed me overigens de das om. Weifelend zocht ik naar voorbereide woorden, maar ik was ze vergeten, hoe vaak ook herhaald. Een hiaat in mijn geheugen snoerde mijn mond.

Loos talent

Ik heb talent in talentloos zijn. Dat heb ik zojuist, tijdens een middagwandeling, beredeneerd. Talent in talentloos zijn, kan je het geloven? De oeroude clichés zijn mij nochtans niet ontgaan: “Iedereen heeft zijn capaciteiten en is daardoor uniek.” Dat is allemaal goed en wel natuurlijk, maar mensen die dat soort clichés gebruiken om mij te troosten, mogen gerust ter plekke doodvallen. Ambitie werd meteen met de paplepel erbij in mijn keel gestampt, om het zekere voor het onzekere te nemen.