In de voetsporen van Columbus

Een groepje mensen verlaat hun picknickkleedjes en –mandjes en rent als in slowmotion naar me toe. Hun zorgen en aandacht geven mij nieuwe energie. Met zwaar gehavende knieën en ellebogen strompel ik overeind. Natrillend van de val, blijven mijn skeelers in het gras geboord, terwijl mijn handen voorzichtig steun zoeken bij een boom. De tocht is nog lang, maar ik zal de pijn overwinnen.

Michael

Michael. Zo heet je. Michael. Wat waren wij een ramp samen. Jij was mijn eerste vriendje. “Ach, er zullen er vast nog wel meer komen,” zei je vlak nadat ik het had opgebiecht. We stonden op het station te wachten. Jij had het net uitgemaakt. Jij wachtte op je trein. Ik wachtte op mijn bus, die mij thuis zou brengen naar het dorp van mijn ouders. Naar die tafel, gedekt voor vijf personen. Maar jouw plaats zou vrij blijven.

Onbehagen

“Oma, ik hoef je niet meer te zien. Het is nooit leuk als ik bij je ben. Je maakt altijd gemene opmerkingen over mijn ouders, over mijn achterwerk, over je kamergenote. Je bent niet aardig. Ik wil je nog best een kaartje sturen met kerst. Maar langskomen, dat doe ik voorlopig niet meer.”

Lentekriebels

Mijn rokje springt speels op, als ik bij het fluitje van de conducteur de trein in hop. Er zijn nog een paar plaatsen vrij in de drukke coupé. Normaal zou ik daar gaan zitten. Maar die klanken van een accoustische gitaar bewegen mijn benen naar het laatste vrije klapstoeltje.

Supermarktster

Hand in hand lopen Sterre en ik de winkel in. De sfeer zit er al goed in, dankzij K3 op de radio en het gezelschap van Beer, die naast Sterre in de autogordels zat. De bevrijding van mijn kleine nichtje uit de auto heeft me wat hoofdharen gekost, maar hier staan we dan, als echte vriendinnen, klaar voor de supermarkt.