Ági, de vrouw van boer Lájos
De heldere maan plakt grillige vormen van kale bomen op de bevroren grond van de hof. Lájos gooit zijn hoofd in zijn nek en kijkt naar de hemel alsof God hem persoonlijk toespreekt vanuit die eindeloze fluweelzwarte diepte. Hoe lang nog, vraagt hij zich af en weet niet of hij zich triest moet voelen bij de gedachte dat zijn leven over niet al te lange tijd aan de kapstok zal hangen als een vergeten jas. De ijzige kou doet hem sneller naar de deur lopen. Een rode lap die door een paar spijkers in het kozijn op zijn plaats wordt gehouden, moet de winterkou buiten houden.
