Afscheid

Hoeveel keer heb ik dit jaar een kerk van binnen gezien? In ieder geval heel vaak. Ik heb er de deur plat gelopen. En het was altijd voor een uitvaartplechtigheid. Nog nooit heb ik zo vaak afscheid moeten nemen als afgelopen jaar. Van mensen die ik nooit heb gehoord of gezien. Van heel veel mensen en het jaar is nog niet voorbij.

Een

‘Zou men een beter mens kunnen worden door het lezen van een onbevooroordeelde tekst?’
Die zin is niet van mij maar van een voormalige Nederlandse staatsman die van filosofie hield.
Stel je voor zeg, dat ik een échte filosoof was! Of een echte politicus! Een filosoferende staatsman. Voor hetzelfde geld wás ik minister van Binnenlandse Zaken geworden.

Een baantje

Op zaterdagmiddag is het druk in het zwembad. De parkeerplaats staat dan bijna helemaal vol. Veel gezinswagens met vaders, moeders en kinderen. De ene dag doen we het, de andere dag niet. Mijn hond en ik. Over die parkeerplaats van het zwembad lopen. Vandaag doen we het wel.

P spot

Ik ben geboren in Woensdrecht, het mooiste dorpje van Nederland. Mijn eerste huisje, een noodwoning, stond op een steenworp van café ‘Non Plus Ultra.’ Tot hier en niet verder. Maar ík ging verder. Niet veel verder en nu staat mijn stulpje in Kalmthout, het mooiste dorp van België. Ik wandel dagelijks met mijn hond door het dorp van Suske en Wiske. Met Billie, die als twee druppels water lijkt op Bobby, de hond van Kuifje.

Als twee druppels water

De vrouwen in mijn leven zijn weg. Vertrokken. Ik ben nu helemaal alleen. Alleen met foto’s die in rijtjes voor mij op tafel liggen. Als afbeeldingen van een omgedraaid geheugenspelletje. Marleen, José, Magda en de kleine Diana. Ik zie ze zo weer voor mij liggen. Kleine vrouwtjes naast grote vrouwtjes. Grote mensen naast kinderen. In het midden liggen mijn schatjes.

Plork

Een slanke jongeman met zwarte laarzen stapt met zijn hond in de richting van het park. Aan de rand van het park ziet hij het meisje met een bezem staan. Ze draagt een groene overall en zwarte bivakmuts. Aan de overkant van de straat sjokt een klein dik kereltje achter een lege kruiwagen. Hij roept naar het meisje: “Plork! Koffie!”

Meneer van Dalen

Zodra de wiskundeleraar zich omdraait naar het bord, maak ik met de spuugvingermethode zijn grijze achterkant een stuk minder saai en droog. Binnen vijftig minuten is zijn kostuum met pied-de-pouledessin doorweekt. Zijn zoon, die naast me zit op de eerste rij, vindt het schitterend. Zoals bij alles wat ik doe. Hij weet hoeveel en waarom ik zijn vader haat. Hoe die me het leven zuur maakt en me altijd slechte cijfers geeft. Voor de klas stelt mijn kwelgeest juist de vragen die ik niet kan beantwoorden. De wiskundeleraar vindt me een nul.

Boeken en een mannenblik

“Anne! Nu al?…Goed, jij krijgt je zin. Maar ik weet niet waar dat vod ergens ligt. Dat heb ik al twee dagen niet aan.”
Het brutale hoofdje met kastanjebruine krullen komt ergens onder de dekens vandaan.
“Gekke Louis! Ik vroeg of het geen tijd wordt om eens iets anders te gaan doen, buiten in je wonderboek lezen!”
“Je bedoelt In koelen bloede?” Anne duikt weer onder.

Blondie

Muziek was niet mijn eerste liefde maar wel de enige waar ik naar luisterde. Pick up’s hebben al vroeg andere betekenissen dan apparaten waarop je plaatjes draait.
Brian Connolly van de The Sweet en ik hebben lang blond haar en succes bij de vrouwen. Lang en blond. We doen het ermee hoewel ík liever de ruige krullen van Jim Morrison zou willen.

Noodwoning

In mijn kleine dorpje stonden twee rijen met noodwoningen. Kleine barakken zonder badkamer die kort na de oorlog werden gebouwd. Onder het dak van zo’n ‘Makrietje’ werd ik geboren. Tussen de vier muren van een ander klein betonnen blokje in de rij woonde het grootste gezin van het dorp. Vader, moeder, een zoon en veel dochters. Heel veel dochters.

Luchtruimdenken

De gigantische donzen dekbedden zijn donker en zwaar van het vocht. Door een windje en afscheiding vervormen ze tot overmaatse uitgeplozen koningspoedels met bloemkooloren.
‘Dan liever de lucht van vrouwenlichamen met borsten als vers fruit’, schreef Van Eyck.