Een brug over de Seine. Een clochard nestelt zich voor de nacht. Richard is zijn naam, en het is zijn vaste stek, onder de brug. Richard is zwaar getraumatiseerd, kan niet meer praten en ook schrijven lukt hem al jaren niet meer. Sinds kort krijgt hij ’s nachts gezelschap. Daar komt hij aangezwalkt, de zwerver die met zijn stinkende kleren en grauwe baard nauwelijks voor Richard onderdoet. De twee begroeten elkaar, de laatste gast gromt iets, terwijl Richard een soort van rauwe keelklank uitstoot. Al enkele nachten bivakkeren de twee sloebers onder dezelfde brug. De nieuweling presenteert Richard een fles aan. “Hier, heb je wat te zuipen, stomme lul,” bromt hij. Richard kijkt hem verstoort aan, maar grijpt de fles met beide handen aan, en drinkt van het sterke goedje. Het is inderdaad sterk spul, Richard zakt weg in een droomloze slaap.

De volgende morgen. Er komt een meisje aangerend, verpakt in een strak, felgekleurd joggingpakje. Haar lange rode haar bengelt vrolijk in een staartje op haar rug. Ze stopt bij de brug, en begint gelijk met haar rek en strek oefeningen. Een dagelijks terugkerend ritueel, ze komt hier al maanden. Zoals gewoonlijk negeert ze daarbij de clochards onder de brug. Verder is er niemand in zicht. De nieuwe maat van Richard is al een tijdje wakker. Hij kijkt aandachtig naar het druk bewegende meisje. Dan haalt hij een pistool onder zijn lompen vandaan, legt aan en schiet, meerdere malen. Het meisje zakt in mekaar, valt op de grond. De schutter duwt het vuurwapen in de handen van de nog slapende Richard, giet snel nog wat drank over hem heen, en schopt hem wakker. “Hé lul! Ben je gek geworden?” schreeuwt hij, en slaat de lodderig uit zijn ogen kijkende zatlap in het gezicht. Vervolgens maakt de dader van de aanslag zich pijlsnel uit de voeten.

De geschrokken clochard richt zich op, hij snapt absoluut niet wat hem zojuist is overkomen. Er zijn nieuwsgierige mensen op het geluid van de schoten afgekomen. Zij zien het meisje op de grond liggen, en vervolgens de verbaasde Richard, met het vuurwapen nog in zijn hand. Onbeholpen werpt de vagebond het ding van zich af, en probeert te vluchten. Een van de voorbijgangers zet direct de achtervolging in, en pakt de zwerver bij zijn lurven. Richard is helemaal de kluts kwijt, hij slaat de raarste geluiden uit. Sirene. De politie arriveert, de vermeende aanslagpleger wordt in de boeien geslagen.

De echte dader is ondertussen bij het dichtstbijzijnde metrostation aangekomen. Daar opent hij een locker, plukt er enkel spullen uit, en zoekt een toilet op. Daar scheert en wast hij zich. Kleedt zich om in toonbare kledij, ontdoet zich van zijn oude kloffie, en stapt op de trein. Richting het zuiden, richting Marseille.

De volgende dag staat in de krant te lezen:

‘Verwarde man brengt meisje om het leven. Gisteren heeft een verwarde man aan de kade van de Seine een meisje van 19 jaar om het leven gebracht. De man is opgepakt en voor verhoor ingesloten.’

De politie wordt niet wijzer van Richard. Er komt niets zinnigs uit, en schrijven kan hij ook niet. Een motief kan niet worden vastgesteld, de herkomst van het wapen is niet te traceren. Kortom het blijft een raadsel. Er wordt vooralsnog van uit gegaan dat het incident een ongeluk is, en voor het meisje een geval van; ‘op het verkeerde moment op de verkeerde plek zijn.’

De ouders zijn ontroostbaar. Enkele dagen na de begrafenis, wordt er op hun adres per post een envelop bezorgd. De vrouw brengt de brief naar haar man. Hij opent de envelop, leest het berichtje, en verstijft. Hij wordt spierwit, het briefje valt uit zijn hand. Zijn vrouw kijkt verbaasd. “Jacques, wat is er?” De man staart in het niets. De vrouw pakt het briefje:

‘Zo lul! Oog om oog, tand om tand. Heb ik er toch nog eentje van jullie smerig tuig te pakken!’

Met daarbij een oud, vergeeld krantenartikeltje:

‘Slachtoffer groepsverkrachting overleden. Afgelopen nacht is het 19 jarig meisje overleden, dat vorige week slachtoffer werd van een uiterst gewelddadige groepsverkrachting in een voorstad van Parijs. Van de daders ontbreekt elk spoor.’

De vrouw kijkt verbijsterd naar haar man. “Jacques, was jij daar bij?” Het licht verdwijnt uit Jacques ogen. Het is voorbij.

Categorieën: FictieVerhalen

Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

2 reacties

Nummer 22 · 19 maart 2019 op 14:25

Wat een plot.. mooi geschreven
👍

Thomas Splinter · 20 maart 2019 op 19:18

Dankjewel voor deze reactie. Lijkt het ook juist de week van de terreur te zijn!

Geef een reactie