In een vervallen boerderij vindt Peter zijn vermiste dochter terug.

Peter hoort iets, draait zich snel om, en ziet een jongen op zich af komen. De grijze jas en zwarte broek verraden de gast waarmee Charlotte voor het laatst is gezien, op het schoolfeest. De hond springt meteen op de nieuwkomer af. Met afgrijzen ziet Peter hoe de jongen verandert. Het wit van de ogen kleurt plotseling rood, verwijde pupillen, en zijn huid slaat groen uit. De jongen grijpt de hond bij zijn nekvel, pakt met de andere hand de staart beet, en zwaait ermee in het rond. Dan laat hij los, en het dier slaat tegen de muur. Morsdood. Dit is geen mens, voelt Peter instinctief aan. Het creatuur komt op Peter af, grijpt hem bij de keel en duwt hem tegen de muur. Peter’s ogen puilen uit. Het wezen kijkt hem onderzoekend aan. Uit zijn poriën vloeit nu groene pus, en op een van zijn vingers groeit een vlijmscherpe angel. Peter meent dat zijn laatste seconden zijn ingegaan. Wanhopig beukt hij met zijn vuist zodanig snoeihard op de neus van zijn belager dat deze meteen los laat. Snel duikt Peter naar beneden, en vlucht via de keuken naar de stal.

In de hoek van de stal is op provisorische wijze een soort werkplaats ingericht. Er staat een oude tractor, en een werkbank, met daarop blikken, en flessen met vloeistoffen. In zijn vlucht graait Peter naar een fles op de werkbank. Aceton staat er op het verweerde etiket te lezen. Voordat hij verder kan rennen, wordt hij vanachter beetgepakt. Het monster trekt hem achterover, en ze vallen beiden op de grond. Zijn aanrander rolt bovenop Peter, klemt wederom zijn keel af, en bedreigd hem met zijn vrije hand met de uitstekende angel op zijn oog gericht. Juist als hij wil toeslaan mikt Peter met de fles, en slaat deze op de kop van het mispunt aan barrels. Zijn tegenstander laat los en wankelt achteruit, verblindt door het vrijgekomen aceton. Voordat hij zich kan herstellen, pakt Peter een doosje lucifers uit zijn zak, strijkt een lucifer aan, en gooit het brandend naar zijn kwelduivel. Deze vliegt als een fakkel in de hens en rent in blinde paniek op een berg oud hooi af. Peter haast zich naar de kamer waar Charlotte vastgebonden is, en weet haar met moeite te bevrijden. De rook komt al in de kamer. Als hij zijn dochter naar buiten draagt, staat de boerderij in lichter laaie. Vanuit de vuurzee klinkt een ijzingwekkend gegil, dat door merg en been gaat. Uitgeput zakt Peter in elkaar.

Charlotte wordt opgenomen in een ziekenhuis. Na een eerste onderzoek wordt ze doorverwezen naar een inrichting. In de loop van de week gaat Peter op bezoek. Zijn dochter verkeert meestentijds in een lethargische toestand, verklaart de behandelende arts. “Uw dochter is zwaar getraumatiseerd. Ze wil nog steeds niet praten. We kunnen niet achterhalen wat er met haar is gebeurd.” Peter zucht. “Dat was geen mens, dat was … de duivel,” brengt hij uit. “Zet u maar schrap …” vervolgt de arts, en pauzeert. Peter kijkt hem vragend aan. “Uw dochter is zwanger!”


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

2 reacties

Tim uut Kwedamme · 2 juni 2019 op 07:05

Ik heb alle delen ademloos gelezen. Je weet je lezers bij de keel te pakken (spreekwoordelijk) en ik wilde ook weten hoe het slot was. Bedoel ik ben blij dat ik niet tijd heb om altijd te kijken heb. Daardoor kon alles lezen.

Ja, zeer bijzonder geschreven en verhaal laat je niet los.

Thomas Splinter · 3 juni 2019 op 10:13

‘Ademloos gelezen’ Dat klinkt mij als muziek in de oren. Dat is precies wat ik probeer te bewerkstelligen met mijn verhaal. Dankjewel voor dit perfecte compliment.

Geef een reactie