‘Wat een klotedag!’ gromde Karel. Buiten reed de brandweerauto weer weg. Het groepje mensen dat op de stoep had staan kijken loste langzaam op.
‘Dat gaat me flink geld kosten,’ zei hij kwaad. Hij liep terug achter de bar. ‘Ik ga er politiewerk van maken. Dit kan zo niet langer. Iedere keer flikt die vent me wat.’ ‘Wat deed hij de vorige keer,’ vroeg ik voorzichtig.
‘Hij kwam binnen en begon met stoelen te smijten!’ Karel keek me peinzend aan. ‘Hij is niet goed snik. Hij is al eens opgepakt door de politie. Maar ze laten ‘m ook zo weer gaan.’
Ik knikte. Ik had onvoorstelbaar veel geluk gehad. De plaatselijke dorpsgek had me een handje geholpen. Karel had het zomaar geslikt. Ik was zo opgelucht dat ik hem wel kon zoenen.
‘Ennoueenpilsje,’ zei Willem.
Karel knikte en begon te tappen.
‘Hoe zat dat nou met die band?’ vroeg hij aan Willem.
Ik bevroor. Ik dacht dat we het gehad hadden. Het moest nog beginnen.
Willem grijnsde. ‘Illegalekopie.’
Karel keek hem ongelovig aan. ‘Hoe kan dat nou? Ik heb die band gekregen met de verzekering dat het de enige was.’
‘Kennisvanmmehadhem,’ mompelde Willem.
‘Zonder einde,’ merkte Karel op. ‘Mijn vader kreeg ruzie met de omroep. Hij heeft ze met opzet een aflevering gestuurd zonder einde.’
‘Dat heb ik inmiddels begrepen,’ knikte ik.
‘Er was niemand die het aandurfde het over te doen,’ zei Karel trots.
‘Nuwel,’ zei Willem achteloos.
Ik keek hem verstoord aan. Karel hoefde niet alles te weten. Het was toch al link wat we hier deden.
‘Hoezo?’ vroeg Karel nieuwsgierig.
‘M’nbuurgaathetdoen!’ Willem keek mij aan en plotseling kletste zijn grote hand op mijn schouder. ‘Hokusai Bon. Mijnheld! Hierzitie!’
Karel keek mij aan ‘Is dat zo?’
‘Ik heb het beloofd,’ gaf ik toe.
‘Hoe komt dat zo?’
‘Simpel,’ zei ik terwijl ik verschillende antwoorden op hun bruikbaarheid beoordeelde.
‘Ik luister,’ zei Karel.
‘Ik ben geïnteresseerd geraakt in de serie,’ loog ik erop los. ‘Er zitten een hoop herkenbare dingen in. Toen ik hoorde dat de serie niet echt een einde kende besloot ik dat dan maar eens te proberen.’
‘Ben je journalist of zo?’ vroeg Karel. Hij keek me op een vreemde manier aan. Nog even en hij zou net zoveel hekel aan me krijgen als aan Minnie Soeters.
‘Nee,’ zei ik. Ik had begrepen dat Karel een hekel had aan alles wat een pen kon vasthouden.
‘Schrijver?’ informeerde hij.
‘Ja,’ zei ik. ‘’t Is gewoon hobby.’
Zijn blik liet me los. Hij zag dat ik de waarheid sprak.
‘Hijheefgouwehande,’ zei Willem naast me.
Ik nam een paar verschrikkelijk grote slokken bier. De grond werd me hier te heet onder de voeten. We moesten weg. Maar hoe kreeg ik Willem mee.
‘Doeonsernogmaareen,’ mompelde Willem.
Karel tapte twee nieuwe pils. Hij schoof ze naar ons toe.
‘Dus jij hebt bedacht hoe Hokusai Bon moet aflopen?’
Ik pakte het glas en dronk het wanhopig voor de helft leeg. Daarna knikte ik.
‘Hoe loopt het dan af?’
‘Mag ik nog niet zeggen,’ zei ik geheimzinnig.
‘Van wie niet?’ vroeg hij.
‘Ik heb het beloofd aan de Hokusai Fanclub,’ grimaste ik. De pils kwam waar ze moest zijn en deed weer vrolijke dingen.
Willem keek me aan en grijnsde. Plotseling zag ik iets in zijn ogen wat ik nog nooit eerder had gezien. Wat was dat?
‘OpHokusai!’ grijnsde hij.
‘Op Hokusai,’ mompelde ik. Mijn tong begon nu ook raar te doen. En Karel keek ook al zo gek.
‘Je hebt me nieuwsgierig gemaakt,’ bekende Karel. ‘Die band is wel wat voor het museum. Daarom wil ik hem ook. Kun jij er voor mij aankomen?’
‘Dat weet ik niet,’ hield ik de boot af.
‘Of moet ik dan lid van worden van die club?’ vroeg Karel zakelijk. Z’n ogen vernauwden zich. Het beviel hem niet. ‘Weet je,’ vervolgde hij met een broedende blik in zijn ogen. ‘Jullie hadden gerust die band van mij kunnen lenen.’
Ik verslikte me in mijn pils. Willem moest lachen.
Karel keek ons onderzoekend aan. ‘Wat valt er te lachen. Ik ben serieus.’
‘Mooiaanbod,’ grijnsde Willem. ‘Niemeernodig.
Karel knikte.‘Vooruit, neem nog een pilsje van mij.’
We knikte.
‘Misschien kunnen jullie me dan helpen aan zo’n band,’ hield hij aan.
‘Wie weet,’ zei ik moeizaam. Na drie pilsjes begon fatsoenlijk spreken moeilijk te worden. Ik vond ook dat het tijd werd naar huis te gaan. Ik stond op en moest me aan de bar vasthouden om niet meteen te vallen. Gek was dat, in ’t Hoekje had ik daar minder last van.
Karel keek me verbaasd aan.
‘Heeftiealtijd,’ grinnnikte Willem.
Karel knikte. ‘Jullie gaan?’
‘Ja.’ Mompelde ik.
‘Denk je aan die band?’
‘Doeik,’ zei ik.
Willem was ook van de bar gekomen en stond nu naast me. Hij legde die grote kolenschop op mijn schouders en hielp me naar de deur. Zo kwamen we buiten. Ik kon er niets aan doen, maar er was een grote gelukzaligheid in me dat het allemaal was gelukt. Ik begon spontaan te zingen. Naast me riep Willem ‘Hokusai Bon! Mijnheld!’
‘Dertig seconden!’ schreeuwde ik door de straat.
‘Strafdebozen!’ bulkte Willem.
We sjokten door de straat. Met behulp van Willem lukte het me de stoeprand aan te houden. Toen kwamen we bij de auto. Plotseling realiseerde ik me dat ik nog geen fietser van een voetganger kon onderscheiden in deze situatie. En daarna gebeurde er iets wonderlijks.
Willem’s hand gleed in mijn jaszak, haalde de autosleutels te voorschijn en deed vervolgens het portier open. Hij kreeg me zonder moeite in de auto. Aan de passagierskant. Toen liep hij om de auto heen en kroop achter het stuur.
‘Dertig seconden!’ gilde ik tegen die grote vent achter het stuur.
‘Hokusai Bon!’ bulkte die vent. ‘Strafdebozen!’
Toen de auto werd gestart gilde de startmotor ook nog eens ‘Hokusai Bon, mijnheld!’
En toen we wegreden danste Karel in een Hokusai Bon-cape voor zijn zaak. ‘Dertig seconden!’ gilde hij.
Toen ik achterom keek, wat met moeite lukte, zag ik de hele straat vol Hokusai Bons die allemaal ‘Strafdebozen!’ gilden en ‘dertig seconden!’ Ik voelde hoe de auto vaart maakte en naar een groot zwart gat reed. En dat slokte ons vervolgens op.

Categorieën: Hokusai bon

0 reacties

Geef een reactie