Voorafgaand: Op de begrafenis van oom Wilbert krijg ik een schrijven in handen van onze ambassade in Brazilië. Een verongelukte verre neef zou nog in leven kunnen zijn.

Het verhaal intrigeert mij mateloos. Ik spreek erover met mijn baas Theo Klinker, hoofdredacteur van Ex-press en krijg toestemming om het zaakje ter plaatse te gaan uitzoeken. ‘Maak er een moderne Stanley zoekt Livingstone story van,‘ geeft hij mij nog extra mee, want Theo houdt van spanning en sensatie.

Enkele dagen naderhand vertrek ik al naar Brazilië en onderweg heb ik tijd zat om mijn Portugees nog eens goed op te halen. In de hoofdstad Brasilia meld ik me bij de ambassade. Ze kunnen mij gelukkig nog helpen met het opsporen van de gelukszoeker die de hele geschiedenis over de vermiste Richard bij hen heeft opgehangen. Met een medewerker van de ambassade ga ik op weg, in een taxi de stad in. We vinden de vagebond terug in een kroegje in een van de meest beruchte favela’s van Brasilia. Kroegje, tja, een smerig kot zeg maar. Het stinkt er naar zweet en verschaald bier en op de achtergrond klinkt zwoele salsa muziek. De kastelein ziet er al even verlopen uit als zijn clientèle. César heet de man die we zoeken en daar zit hij, aan de bar.

Na een korte introductie met een glas whisky erbij, vertelt hij mij het hele verhaal, in eigen woorden. Hoe hij maanden geleden bij een Indiaanse stam terechtkwam in de jungle van Mato Grosso en daar een man sprak, met de naam Richard. Die Richard beweerde dat hij als kind met een vliegtuigje uit de lucht was komen vallen, ergens midden in de jungle. Indianen hadden hem gevonden en hem als een van hen in hun stam opgenomen. Het vliegtuigje heette de Flying Spider. Die naam ben ik tegengekomen, tijdens het doornemen van oom Wilbert’s paparassen. ‘Jij mag mij naar die stam brengen,’ stel ik César aplomb voor. In eerste instantie is de vrijbuiter niet zo scheutig, maar na enig aandringen, enkele whisky’s en dollars in het vooruitzicht, gaat César overstag. Hij zal mij begeleiden, op mijn queeste naar de verloren achterneef.

We vliegen naar Cuiabá, de hoofdstad van Mato Grosso. Daar huren we een jeep en reizen meteen door, de binnenlanden in. César heeft goed opgelet tijdens zijn verblijf bij de indianen en hij stuurt de jeep onverschrokken voorwaarts over de hobbelige weg, recht naar zijn doel. We rijden uren, uren, verder, verder op zoek naar de stam waar Richard volgens César zou moeten verblijven. Aan het eind van de dag komen we in een dorpje terecht, dat als een soort poort naar de jungle lijkt te fungeren. We stoppen voor het inslaan van brandstof, voorraad en een overnachting. Het lijkt wel of het complete uitschot van de maatschappij hier is neergestreken. We lopen een saloon binnen, en bestellen iets te drinken. Om ons heen alleen maar schorriemorrie, waarbij ik me niet echt op mijn gemak voel. César wel, die voelt zich gelijk thuis. Er wordt flink gerookt, gekaart, gegokt en gezopen.

Je voelt de spanning als het ware oplopen in het kleine vertrek en jawel; subiet ontstaat er achter ons een vechtpartij. Een man is blijkbaar betrapt bij valsspelen en wordt zonder pardon te grazen genomen. Er wordt geslagen, gevloekt en getierd. Ze slepen de valsspeler aan handen en voeten mee naar buiten, binden hem vast aan een boom, rammen een trechter in zijn mond, jagen hem een fles alcohol of zoiets door de strot en steken de fik er in. Ja zo, precies zoals ik het hier vertel! Het gaat allemaal zo snel dat ik volkomen verbijsterd ben. César ziet het allemaal emotieloos aan. ‘Valsspelen; levensgevaarlijk hier,’ merkt hij droog op. Het slachtoffer schokt nog even na, waarna de kerels hem voor dood achterlaten en weer terug sjokken naar de saloon, waar ze het verder op een zuipen zetten. Geen mens die nog omkijkt naar de overleden valsspeler. De politie? ‘Die komt hier pas opdagen als er niets meer te bewijzen valt. Het is hier één goddeloze bende,’ legt César uit. Mijn maag draait ervan om, hier moeten we niet te lang blijven, besef ik gelijk. César kletst nog even na, met een paar van de raddraaiers en komt dan naar mij toe. ‘Kom,’ zegt hij. ‘We kunnen hier overnachten en moeten dan zien dat we morgenvroeg snel weg zijn. Het is hier niet pluis.’ Dat is het understatement van het jaar. Ik noteer het als werktitel voor mijn eerste artikel; ‘Het is hier niet pluis.’ Ik slaap slecht die nacht en de volgende morgen zitten César en ik al voor dag en dauw in de jeep. Gas er op en wegwezen! Vanuit een ooghoek zie ik dat het lijk van de valsspeler is verdwenen.

Wordt vervolgd


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

0 reacties

Geef een reactie