Met het instorten van het imperium van een bankier uit Noord-Holland komen herinneringen naar boven aan ontelbare, door mij nagekeken hypotheekakten. Maar vooral ook herinneringen aan een aantal cliënten dat een onuitwisbare – of haast onafwasbare – indruk achterliet. Op een mistige ochtend in februari stuift een stokoude Ford Transitbus met gierende banden het parkeerterrein op. Vanuit mijn kamer zie ik een merkwaardig gezelschap uitstappen. Ik heb het vermoeden dat deze vier voor mij komen. Even later belt de receptioniste. ‘Ze zitten in wachtkamer drie,’ zegt ze, ‘maar je kunt gewoon je neus volgen.’ Als ik door de gang loop, bereikt een zurige walm die zich moeilijk laat omschrijven mijn neusgaten. Het lijkt het meest op een combinatie van zweet, vieze kattenbakken en ongewassen lichamen. De deur van wachtkamer drie staat open en op de drempel moet ik even blijven staan, omdat de stank me de adem beneemt. Bijna kokhalzend doe ik aarzelend twee stappen in de richting van de tafel, waar omheen zich moeder, twee zoons en een schoondochter hebben verzameld.

Moeder, op pantoffels die betere tijden gekend hebben, rochelt en ontsteekt vervolgens in een bijna niet te stoppen hoestbui. Haar hand veegt ze erna af aan haar jasschort, waar een voedzame soep van te trekken moet zijn. Het gebruikelijke handen schudden besluit ik op dat moment, geheel tegen mijn gewoonte, achterwege te laten. Een van de twee zoons, zo te zien van mijn leeftijd, maar met iets minder tanden dan ik, kijkt me schaapachtig aan als ik voorzichtig begin over het feit dat de betaling nog niet op onze rekening is bijgeschreven. Hij grinnikt naar zijn eveneens praktisch tandenloze broer, die iets mompelt wat lijkt op: ‘Afzetters,’ en een greep in zijn binnenzak doet. Met een zwart doorgroefde hand duwt hij een dikke, groezelige envelop over de tafel in mijn richting. Paniekerig bedenk ik dat ik het geld eigenlijk ter plekke zou moeten natellen. Ik breng het niet op want de stank is niet te harden.

Even later bevrijd ik daarom, in mijn fris ruikende kamer, de coupures van vijf, tien en twintig euro uit hun vettige omhulsel, waarna ik me met een collega aan het tellen zet. Het duurt even, maar dan komen we uit op zesduizend negenhonderd negentig euro. Een tientje te weinig! Er zit niets anders op dan opnieuw te tellen en na een poosje blijkt het eindtotaal toch te kloppen. Even later meld ik me, kwitantie in de hand, weer in de wachtkamer, waar de notaris inmiddels alvast is begonnen met het doornemen van de hypotheekakte. De deur staat nog steeds open en een van de ramen ook, constateer ik verheugd. De notaris kijkt me met een licht wanhopige blik aan en vraagt of ik de hypotheekakte wil voorzien van mijn handtekening: ‘Dan hoef je zo niet nog een keer terug te komen,’ zegt hij. Hem oneindig dankbaar voor dit gebaar, verbeter ik onmiddellijk het snelheidsrecord ondertekenen.

Aan het eind van de middag rijd ik, ondanks de winterkou, met beide portierramen wagenwijd open naar huis. Daar stop ik mijn kleren, die een afgrijselijke stank verspreiden, in de wasmachine. De lucht lijkt niet alleen in mijn kleding, maar ook in mijn poriën te zijn getrokken, zodat ik eindeloos onder de douche sta te schrobben tot ik weer ruik naar mijn vertrouwde zelf.

De volgende ochtend meldt de receptioniste dat ze alle parfummonstertjes uit haar la heeft gehaald en leeg gespoten in wachtkamer drie. Een combinatie van Poison, l’Air du Temps en White Linen heeft de smerige lucht definitief uit het pand verdreven. De herinnering aan het kwalijk geurende kwartet ben ik echter nooit meer kwijtgeraakt.

Categorieën: Verhalen

Avalanche

Zit nooit om woorden verlegen. http://tekstfontein.com

6 reacties

LouisP · 17 december 2009 op 11:46

Avalanche,

wat een uitzonderlijke ervaring! Leuk om te lezen!
Voedzaam soepje..haha

Louis

DACS1973 · 17 december 2009 op 12:48

Geld stinkt dus toch!
[quote]Maar vooral ook herinneringen aan een aantal cliënten dat een onuitwisbare – of haast onafwasbare – indruk achterliet.[/quote]
Die loopt niet helemaal goed vanaf ‘dat’.

Avalanche · 17 december 2009 op 13:29

Cliënten stonken, envelop stonk, maar het geld…. niet 😉

Help me eens D., wat is er mis met het ‘loopje’?

Emiliever · 17 december 2009 op 18:20

Hoe vaker je hem leest, des te leuker hij wordt. En ik hoor ook niets vreemds aan de zin met het loopje…

DACS1973 · 18 december 2009 op 09:22

Oh jee, ik heb de zin verkeerd geïntepreteerd. Dacht dat ‘dat’ verwees naar ‘herinneringen’ of ‘cliënten’, maar het verwijst naar ‘een aantal’.

Dan vind ik het nog geen mooie zin. Ik zou hebben geschreven:

Maar vooral ook herinneringen aan cliënten die een onuitwisbare – of haast onafwasbare – indruk achterlieten.

Maar dat is dus slechts een kwestie van smaak.

Avalanche · 18 december 2009 op 09:56

Ik dacht specifiek aan die vier stinkerds, vandaar het woord ‘aantal’. Maar hoewel over smaak niet te twisten valt, geloof ik dat ik het wel met je eens ben.

Geef een antwoord