Op mijn vijftiende verjaardag kreeg ik van mijn vader een mini bromfietsje cadeau. Vader had het zelf in mekaar geknutseld met behulp van allerlei losse onderdelen. Als ik er op zat, raakte ik met de knieën mijn armen, zo klein was het. Maar ik was de koning te rijk met het ding en noemde mijn nieuwe aanwinst Zeppy.

Het eerste ritje met Zeppy maakte ik over het zandpad langs het kanaal van Roerdonk tot halverwege Maltstad en weer terug. Het had geregend die middag en het pad was modderig. Bij de eerste sluis waar ik op mijn route voorbijkwam, pauzeerde ik even en maakte rechtsomkeert. Meteen passeerden mij drie hardlopende meisjes, gekleed in witte shirts en blauwe broekjes en met gympies aan de voeten, die onder het slijk zaten. Ik probeerde ze in te halen, maar door de modder kon ik aanvankelijk geen vaart maken. Even verder werd het parcours beter en liep ik op de dames in. Toen ik ze op mijn mini brommertje inhaalde, lachten ze mij vriendelijk toe, of uit, wie zal het zeggen? Ik zwaaide en heel langzaam maakte ik me los van het trio. Dat was mijn eerste ritje.

Het gemotoriseerde tweewielertje kwam mij goed van pas. De mei vakantie brak aan en om een centje bij te verdienen kon ik ergens asperges gaan steken bij een boer, die achter Maltstad een groot perceel ‘wit goud’ had liggen. Met mijn grote kleine trots Zeppy, ging ik op pad. Het bleek een lange tocht en onderweg begon ik alsmaar te twijfelen: heb ik genoeg benzine, rijd ik wel goed? Ik reed en ik reed en er leek geen einde te komen aan de route. Ik heb peentjes gezweet, tot ik bij de aspergeboer arriveerde. Ik controleerde meteen de benzinetank en gelukkig was deze nog voor ruim de helft gevuld. Urenlang moest ik op het land werken en toen weer terug naar huis. Het lukte me net om met een tankje benzine de tocht vice versa te maken. De hele verdere week tutterde ik met Zeppy op en neer. En telkens weer trok ik bekijks, als ik met ronkende motor het aspergeveld kwam opgereden

Ook in de zomervakantie kon ik ergens gaan werken, bij een isolatiebedrijf in Maltstad. Onderweg er naartoe passeerde ik een spoorlijn, maar eenmaal daar overheen kon ik niet verder. De weg was afgezet vanwege een ongeval. Dan maar linksaf, er liep een smal pad parallel aan de spoorlijn. Maar even verderop liep het ook daar vast en kon ik niet meer verder met het bromfietsje. Dan maar lopend. Ik verstopte het machientje onder een bruggetje vlakbij. Langs paadjes, achter de tuinen door, ik liep en ik liep, tot ik bij een hek uitkwam waar het pad ophield! Ik sprong over de omheining, doorkruiste de tuin daarachter en kwam bij een garage uit. De deur stond open en ik zag binnen een auto in onderhoud staan. Ik liep verder, de garage in en weer uit en zo de weg op. Daar stond ik, precies op de route die ik met mijn brommertje had willen volgen. Het verkeer stroomde inmiddels weer volop door en ik bedacht dat ik van hieruit beter eerst mijn vervoermiddel kon gaan ophalen.

Maar toen ik terugkwam op de plek waar ik het machientje had achtergelaten was mijn Zeppy verdwenen, gejat! Ik baalde als een stekker en schopte met geweld tegen het muurtje waar het brommertje had gestaan. Er vloog een stuk steen de lucht in en mijn voet maakte een krakend geluid. Ik schreeuwde het uit van de pijn, want mijn teen was gebroken. Ik moest er spontaan van overgeven. Daar stond ik dan en ineens realiseerde ik mij; zo zal het verder gaan in het leven. Een lange weg met obstakels, leuk en minder leuk, totdat je op een punt uitkomt waarop je weet; Het is zo gelopen zoals het is gelopen, en forget it; er is geen weg terug.

Categorieën: FictieVerhalen

Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

0 reacties

Geef een reactie