Uiteindelijk viel het doek. Ook voor mij was het tijdstip aangebroken waarop het onvermijdelijke moment toch echt niet meer te vermijden is. Nu was ik één de velen. Mijn moeder kon zowaar een semi-geschokt gezicht laten ontplooien en zelfs de snik die erna volgde klonk ook nog een beetje overtuigend. Ik zweeg. Nu behoorde ik tot de groep waarover nooit meer met overtuigende trots en liefde gepraat kon worden. Dat gaat er door je heen, dat moment waar je te horen krijgt dat je wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek. Mensen zeggen dat woord vaak niet: “psychiatrische kliniek”. Meestal wordt het woord: “opvang” of “opvanghuis” genoemd. Dat klinkt dan niet zo ingrijpend, maar eigenlijk weet de ander al precies waar het over gaat. Het gekkenhuis. Mensen denken al snel aan een dwangbuis. In mijn verblijf in het gekkenhuis heb ik er eentje gezien. Bij een ander weliswaar.

Eigenlijk gebeurt het stilzwijgend. De koffers blijken al stiekem klaar te staan in het hoekje op de zolder en toevallig is alle kleding die ik nog heb al keurig gewassen en gestreken. Ik haal de netjes opgevouwen shirts en broeken uit de kast en leg ze keurig in mijn koffer. De ruimte die overblijft vul ik met een paar boeken, mijn mp3-speler, toilettas en een noteblok. Ik heb geen idee wat ik nog meer zou moeten meenemen, mijn leven is qua materie inmiddels vrij inhoudloos geworden. Mijn moeder roept dat ik moet opschieten, over een uur moet ze op haar werk zijn en ze is nog wel bereid me een lift te geven. “Een enkeltje gekkenhuis, hoe ironisch” denk ik bij mezelf. Ik kijk nog een keer mijn kamer rond en de moed zakt me met iedere seconde meer mijn schoenen in. Ik sluit de deur snel, slaak een diepe zucht en stap voor de laatste keer de voordeur uit.

Bij aankomst lijken alle vooroordelen eigenlijk toch een beetje waar te zijn. Bij het binnenstappen zie ik al meteen een meisje wiebelend op een stoel zitten. Armen strak langs haar bovenlichaam gevouwen, hoofd naar beneden. Ze mompelt dingen die ik niet kan verstaan en ik mompel zachtjes een vloekwoord. Mijn moeder kijkt me geschokt aan en geeft mij een por in mijn zij. Een moment later loopt er een lange maar ook dikke vrouw op ons af, die mij doet denken aan een kraai. Spitse haakneus en sluwe kraaloogjes. Warempel rollen er woorden uit haar mond die meer op krassende nagels op een schoolbord lijken, dan op een stem. “Jij moet Lieke zijn, aangenaam, ik ben Betina.” Betina blijkt een “socio” te zijn, dat is een verkorte term die binnenshuis wordt gebruikt voor “iemand met ogen-in-de-rug en oren-in-de-zakken”.

Het gesprek wat gevoerd wordt, is eerder geestdodend dan lustopwekkend te noemen. Ik bekijk de kamer eens nader en trek in twijfel of ik wel op de goede afdeling terecht gekomen ben. De kleurige tekeningen met dingen erop die nergens op lijken, doet mij eerder denken aan een peuterspeelzaal. Met getikte kinderen natuurlijk. Van veraf hoor ik mijn moeder en Betina praten over de tijd dat ik hier moet zitten en een paar praktische dingen. Mijn moeder stoot me aan. “Luister nou Lieke, wat vind je daar van?”. Ik trek een gezicht alsof mijn moeder Indonesisch praat en verklaar mezelf Oost-Indisch doof. “Goed hoor, prima, ik ben er nu toch.” Apart dat je als mens toch nog goede antwoorden op vragen kan geven terwijl de vraag volstrekt onbekend voor je is.

Alles gaat eigenlijk in een waas voorbij, en voordat je met je ogen kunt knipperen is degene die je bracht al weg en ben je alleen overgebleven op iets wat ze je “kamer” noemen. Het bed is weerzinwekkend, en ik vraag mezelf af of ik mijn knokkels op het matras zou kunnen breken. Mijn vraag wordt treurig beantwoord wanneer ik voorzichtig met mijn knokkels op het matras tik. Een matte “tok-tok” is alles wat ik kan horen. Vooralsnog probeer ik erop te gaan liggen en ik doe mijn ogen dicht. Ik hoor een stroom van banjerende schepsels die uitgelaten lachen langs mijn deur lopen. Ik ben in een rolstoel kamer geplaatst, de rest was vol. Het gekkenhuis is aardig druk en daar kom ik nu zelf ook achter. Ik schrik op van een bulderende lach á la Patty Brard en ik vloek luidkeels. Het werkt, de stilte is nu van mij.

Als je eenmaal je plaats hebt ingenomen in het huis, begin je werkelijk te kijken naar de mensen die erin zitten. Er zijn veeltal stereotypes te onderscheiden naast een paar mensen die sowieso ondefinieerbaar zijn. Je begint te begrijpen welke stem bij wie hoort en ’s nachts kan je jezelf precies vertellen wie er aan het huilen of aan het jammeren is. Je eet het eten en je drinkt het vocht wat je voorgeschoteld krijgt. Je gaat iedere dag dezelfde dag als gister tegemoet. Alsof je nog niet moedeloos genoeg van je leven bent geworden. Je wordt geleefd en je wordt daarover ook nog eens steevast elke dag ondervraagd. Als je een slechte dag hebt, mag je niet eens je eigen brood zonder toezicht in stukjes snijden. Wat wil je? Je bent immers gek. Je bent gestoord, ontheemd en gevaarlijk.

Zo gingen de eerste dagen langs mij heen. Ik leefde niet echt in deze wereld, maar meer in een soort “twilight-zone”. Ik was niet wakker, maar sliep ook niet. Ik zweeg vooral en plaatste mijzelf op de achtergrond. Ik had nooit gedacht dat mijn verblijf in het gekkenhuis een grote plaats in mijn leven zou innemen. Later. Je beseft altijd later pas wat je hebt meegemaakt. En wat voor mij vooral een verassing was, was het feit dat ik er ook mooie momenten heb beleefd. Al met al zijn er ook verschrikkelijke dingen gebeurd die ik nooit uit mijn geheugen en van mijn netvlies af zal krijgen. Maar dat gebeurt je nou eenmaal, als je in het gekkenhuis zit. Het is net als de liefde en oorlog; daar is alles geoorloofd.


7 reacties

KawaSutra · 25 juni 2008 op 01:31

[quote]Ik schrik op van een bulderende lach á la Patty Brard en ik vloek luidkeels. Het werkt, de stilte is nu van mij.[/quote]
Een overtuigende beschrijving, realistisch en met een begrijpelijke cynische ondertoon. Doet me een beetje denken aan de sfeer in ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’.
Goed geschreven dus.

SIMBA · 25 juni 2008 op 08:43

Enorm goed beschreven, ik heb in de psychiatrie gewerkt en herken de stereotypen die jij beschrijft. Maar onthoud goed….de meeste gekken lopen buiten!

pally · 25 juni 2008 op 09:15

Een column die er in hakt, Cherish, met zelfspot en onverbloemdheid.En zinnen die eruit springen zoals deze:

[quote]Als je een slechte dag hebt, mag je niet eens je eigen brood zonder toezicht in stukjes snijden.[/quote]

en

[quote]Apart dat je als mens toch nog goede antwoorden op vragen kan geven terwijl de vraag volstrekt onbekend voor je is.[/quote]

:wave: groet van Pally

Dees · 25 juni 2008 op 09:28

Tsja, ik ken het ‘gekkenhuis’ of ‘gesticht’ alleen als bezoeker en dan ook nog van heel vroeger als klein kind. Toen had ik het idee dat op gekte gevangenisstraf stond en zoals jouw stukje leest lijkt het daar ook wel op.

Pas veel later hoorde ik er ook wat andere dingen van. Misschien schrijf je ook nog eens iets over die beleefde mooiere momenten. Mooi stukje Cherish!

lisa-marie · 25 juni 2008 op 15:06

Knap geschreven!
Ik kon het meevoelen.

Misschien lezen we de mooie momenten nog eens.

arta · 26 juni 2008 op 09:20

Gisteren op mijn werk drie keer begonnen met lezen en ook drie keer onderbroken, grr…
Nu heb ik hem in één keer kunnen lezen en ben onder de indruk van de humor, zelfspot en beeldendheid (is dit een woord??) waarmee jij dit onderwerp beschrijft!
Niet gek, deze column!:-D

Cherish · 27 juni 2008 op 23:15

Dankjewel voor alle positieve reacties :).
Ik heb wel eens vaker hier een column laten plaatsen maar dit lijkt een goede stap vooruit te zijn :).

Nu maar weer eens even inspiratie opdoen voor een volgende!

Geef een reactie

Avatar plaatshouder