Op het bureau word ik flink onderhanden genomen. De agenten zetten mij stevig onder druk om zodoende achter John’s verblijfplaats te komen, maar ik kan ze niet meer doorgeven dan de adressen waar ik ben geweest. Daar is natuurlijk geen John meer te bekennen. De agenten weigeren mij te geloven. De duimschroeven worden aangedraaid zodat het nog een zware penitentie voor mij wordt. Maar eerlijk gezegd, ook al had ik meer geweten, verteld had ik het ze toch niet, John blijft toch een oude vriend van mij.

Tamara wordt ondertussen weer naar huis gestuurd en vertrekt zonder afscheid te nemen. Uiteindelijk word ik als een natte dweil in een cel gegooid. Met een laatste heldere “Was ik maar thuis gebleven” gedachte, val ik uitgeput op de harde bank in slaap.

Slapend op die harde bank in mijn cel, droom ik van Tamara. Naakt staat ze voor mij, met haar rug naar mij toe. Haar massieve billen lijken mij aan te staren. Als ik mijn handen op haar heupen leg, voelen deze aan als zijn ze van steen. Ik draai haar om en kijk in de vurige, haatdragende ogen van Tesjub, de Hethietische god van de wraak! Met een “Godsamme” schrik ik wakker. Het zonlicht valt reeds door een raampje, maar ik heb geen enkel benul van tijd. Een bewaker rammelt op de tralies en reikt mij een krant aan. Op de voorpagina staat mijn foto! Uit het begeleidende artikel blijkt duidelijk dat ik inmiddels als de handlanger van een levensgevaarlijke crimineel wordt beschouwd. Ook John’s portret en signalement worden in het stukje zonder enige terughoudendheid vrijgegeven.

Het begint er behoorlijk hopeloos uit te zien voor mij. Het is mij absoluut verboden om met wie dan ook contact op te nemen. Daar word ik, al bij al, toch wel een beetje depressief van. ’s Middags komen drie agenten mij ophalen, want ik zal worden overgebracht naar de Ulucanlar gevangenis.

Ik moet achter in de boevenwagen gaan zitten, samen met een van de agenten. Een chauffeur en bijrijder nemen voorin plaats. Er valt onderweg niet veel te zien voor mij, maar als we een tijdje aan het rijden zijn vindt er plotseling een geweldige explosie op de weg voor ons plaats. Het transport komt meteen tot stilstand. De chauffeur en bijrijder stappen in paniek uit. Ik zit er nu helemaal doorheen. “Wat een land”, spookt het door mijn hoofd. Dan wordt de achterdeur van de wagen met geweld opengebroken en een man, met een zwarte bivakmuts over zijn hoofd, spreekt mij aan. “Kom op Thomas, wegwezen hier” schreeuwt hij. Het is John. Ik wil uit de wagen springen maar mijn bewaker houdt mij tegen. John schiet hem echter zonder pardon een kogel door zijn voet. De man schreeuwt het uit en valt uit de wagen. Ik word er niet goed van,  moet zelfs overgeven. John geeft de op één been rondspringende bewaker nog een tik terwijl iemand anders mij meetrekt. Het is Monica, John’s vriendin en handlanger in goede en slechte tijden. De chauffeur en bijrijder van de boevenwagen hebben zich inmiddels hersteld en beginnen ons vloekend en tierend te beschieten. Monica wordt in haar bil geraakt, waarop ik haar op mijn beurt moet ondersteunen. Strompelend bereiken we de jeep die klaarstaat, met Fayez achter het stuur. Als we zijn ingestapt trapt hij hem op zijn staart en met rokende banden begint een dollemansrit die ons buiten het bereik van de politie brengt.

 

 

 

 

 

 

 


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

8 reacties

troubadour · 23 september 2014 op 14:44

Van mij mag het een slag ruiger Thomas, meer recht voor z’n raap.
Alles wordt afgezwakt, alsof er een soort censurist over je schouder meekijkt, of het wel in de derde van de Mavo mag worden voorgelezen. Als er een stel stroomdraden aan je ballen worden gekoppeld, dan spreek jij over een zware penitentie. De lezer wil geboeid worden, wil huiveren, misschien wel opgewonden raken..

Thomas Splinter · 23 september 2014 op 20:47

Ja ja. Dat zou het verhaal inderdaad meer lading kunnen geven. In eerste instantie gaat het er mij om een enigszins acceptabele verhaallijn neer te zetten. De verdere inkleuring zou dan in een volgende fase tot stand kunnen komen. Maar dan hebben we het over een uitgewerkt verhaal en daar heb ik momenteel veeeeels te weinig tijd voor. Ben al blij dat ik deze ouwe tum na al die jaren alsnog voor het voetlicht kan brengen. En blij dat sommigen het willen volgen. En blij dat er zelfs ook nog een reactie op wordt gegeven. Bedankt. Op naar het laatste deel.

    troubadour · 24 september 2014 op 07:15

    Zie ook ‘Mindfuck’ in het café.

      Thomas Splinter · 24 september 2014 op 19:35

      Dat hakt er in! Krijg eigenlijk al een beetje zin om het verhaal opnieuw te schrijven en uit te werken tot een vet en sappig stuk, maar dat zal ik Columnx beter niet aandoen.

Dees · 24 september 2014 op 09:58

Heb deel 1-4 nog niet gelezen en dan wordt het meteen zo’n drempel. Wat me wel opvalt, qua actie is er eea te doen, maar een goed verhaal heeft meer smeerolie nodig. Zintuiglijke waarneming bijvoorbeeld. Gelaagdheid. Een verhaal moet mi meer zijn dan een opsomming van gebeurtenissen.

Thomas Splinter · 24 september 2014 op 19:41

Zo is het nou net. Maar we leren steeds bij en wellicht komt in een volgende poging een en ander beter uit de verf. Ikzelf heb in ieder geval veel plezier beleefd aan het neerpennen van mijn avonturen in Ankara.

troubadour · 24 september 2014 op 21:21

Nou, mij heb je hoor!

Geef een antwoord