Ze ziet hem vaak zitten op het bankje, achter op het kerkhof. Zo nu en dan vraagt ze zich af, voor wie hij daar zit, maar ze komt er nooit echt achter. Als zij er is, en hij niet, dan gaat ze wel eens kijken bij de graven daar in de buurt.
Hij bezoekt vast het graf van de jonge vrouw, al twintig jaar geleden overleden. Zij zou zijn verloofde kunnen zijn, gestorven nog voor ze trouwden. Soms neemt ze de tijd om zelf op het bankje te gaan zitten. Dan fantaseert ze over die verloren liefde en over zijn verdriet. Twintig jaar later brengt die liefde hem blijkbaar nog steeds bij haar.
Soms denkt ze dat het niet zijn verloofde, maar zijn moeder moet zijn. Die is naast de jonge vrouw begraven. Ook deze vrouw is al lang geleden overleden. Als ze bij dat graf staat te kijken, wordt ze er zelf verdrietig van. Zullen haar kinderen bij haar graf komen staan, als ze al twintig jaar dood is? Als ze eerlijk is, denkt ze van niet. En als ze nog eerlijker is, moet ze ook toegeven dat zij het graf van haar eigen moeder alleen op haar verjaardag en met Kerstmis bezoekt. En die is nog maar vijftien jaar geleden overleden. Ze mist haar nog elke dag, maar het graf zegt haar niet veel.
Vandaag, als ze bezig is bij het graf van haar dochtertje, al dertig jaar geleden overleden, ziet ze hem weer zitten. De man kijkt op, als zij naar hem kijkt en hun ogen ontmoeten elkaar. Ze glimlachen beleefd, twee vreemden, die elkaar alleen van gezicht kennen. Elk eenzaam en alleen met het eigen verdriet. Vandaag vindt ze dat het tijd is om de man te begroeten.
‘Dag, mag ik even bij u komen zitten?’
‘Natuurlijk, ga u gang.’
Stil zitten ze enkele minuten naast elkaar.
‘Ik zie u vaak bezig bij dat graf. Is het uw dochtertje dat daar ligt?’
Ze knikt.
‘Wat fijn voor haar, dat u haar niet vergeten bent en nog steeds voor haar zorgt.’
‘Ik heb maar zo kort voor haar mogen zorgen.’
‘Ik kan me uw verdriet nauwelijks voorstellen. Ik heb zelf nooit iemand verloren die me zo na stond.’
Ze kijkt hem verbaasd aan. ‘Mag ik vragen voor wie u hier bent?’
‘Voor mezelf.’
Ze blijft stil, ze snapt het niet.
‘Ik kom hier om te kijken naar de stenen en te voelen hoe ze spreken. Ze spreken over pijn en verdriet. Soms ook over geluk.’
Nog steeds begrijpt ze het niet.
‘Ziet u deze jonge vrouw? Ze was net twintig toen ze overleed. Of die dame van middelbare leeftijd die er naast ligt. Heeft ze haar kleinkinderen gekend? Elke keer dat ik hier zit en naar hun stenen kijk, vertellen ze me verhalen. Ze helpen me bij het vinden van mijn weg tussen mijn eigen pijn en verdriet.’
Ze kijkt stil voor zich uit en denkt na over zijn woorden. Ze snapt het nog steeds niet. ‘Is het heilzaam?’
‘Natuurlijk, anders zat ik hier niet naast u. Dan lag ik hier ergens onder een van de stenen en bleef er vrijwel niets van me over.’
Er loopt een rilling over haar rug.

2 reacties
NicoleS · 19 april 2016 op 17:00
Mooi stuk. Ik houd ervan.
Mien · 20 april 2016 op 07:59
Op zoek zijn naar. En dat op een kerkhof dat niet van jezelf is. Mooi gevonden.
Het erbij slepen van het woord ‘heilzaam’ had voor mij niet gehoeven. Te uitleggerig. Too much. Uit je verhaal spreekt de heilzaamheid van stenen afdoende.
In het begin van de dialoog ben je me als lezer heel even kwijt. De vrouw start de dialoog. De man antwoord. Korte stilte. Dan neemt de man het woord. Dat is voor mij niet meteen duidelijk. Hier moest ik even teruglezen in het verhaal.