Ik word ruw heen en weer geschud in het kielzog van een passerende auto. Heeft het leven nog zin? vraag ik mij af. Met draaiende motor op de vluchtstrook van de dijkweg Almere Lelystad staar ik naar de achterlichten tot de duisternis ze opslokt. Het is rustig om deze tijd. Een normaal mens ligt op bed. Knus tegen vrouw of vriendin, man of vriend aan. Op het moment dat de auto opnieuw huivert, ditmaal door een passerende vrachtauto, schiet een inzicht als een dartpijl door mijn maag. Ik krimp ineen terwijl de stem van rattenkop door mijn geest echoot. ‘Ze beweert dat hij het heeft.’ Natuurlijk! De trut, ik had het moeten weten. Wat heeft ze in het heetst van de strijd in mijn auto verstopt?
Ik laat mijn hand rondgaan in de leegte onder mijn stoel, laat mij zijwaarts op de bijrijderstoel vallen en betast de vloer. Een verkreukeld blikje en lege snoepwikkels. Meer niet. Er moet iets zijn. Ik stap uit. Met een zaklamp die ik uit het dashboardkastje heb opgeduikeld onderwerp ik de auto aan een nauwkeurige inspectie, zittend op mijn knieën op het ruwe asfalt, met een schuin oog oplettend dat ik niet geschept word. Niets te vinden. Hoe kan dat nou? Na de vierde keer zoeken geef ik het op. Misschien riep ze maar wat om dat tuig op een dwaalspoor te brengen, de aandacht van haar naar mij te verleggen, wat haar overigens prima lukte. Ik schud mijn hoofd. Ik zou het graag willen geloven, maar ik heb mezelf lang genoeg voor de gek gehouden. Mijn huwelijk ligt in duigen. Ik ben dakloos. Een bloedmooie vrouw die wat ik mij ziet, het is te mooi voor woorden. Ze zat in het nauw en toevallig kwam ik langs en zag wel wat in haar. Ze heeft me gebruikt. Misbruikt.

Een klein uur later zit ik in een bedompte hotelkamer in Enkhuizen. Naar huis hoef ik niet te gaan, Nettie heeft mij meer dan duidelijk gemaakt dat ik mij daar niet meer hoef te vertonen. Een thuis heb ik niet meer. Mijn schamele bezittingen heeft ze één hoog het raam uitgegooid, nadat ik haar als een schoothondje met de staart tussen de poten achterna liep om het uit te praten “als volwassenen onder elkaar.” In de achterbak ligt wat ik snel nog bij elkaar heb weten te rapen; wat broeken en andere kledingstukken, enkele boeken, CD’s in verbrijzelde doosjes. De restanten van wat ooit mijn geavanceerde laptop was. Als de harddisk is bezweken ben ik mijn in vele jaren moeizaam verzamelde muzieknummers in één klap kwijt. Ik kan het niet nagaan, het ding start niet op, misschien had ik beter zo nu en dan een backup kunnen maken.

Ik ga languit op bed liggen. Eindigt hier mijn leven? Heeft de ondergaande zon mijn huwelijk met zich meegesleurd tot in de onderwereld? Komt morgen voor mij de zon niet meer op? Ik denk erover mij van kant te maken. Alles is mij ontnomen, tot en met mijn zelfrespect. Als een dier heeft Nettie mij door de tuin laten kruipen, om wat van mijn materiële bezit te redden. Ditmaal waren de buren wél zichtbaar aanwezig. Veilig achter glas, de gordijnen licht opzij geschoven opdat ze vooral niets zouden missen. Ik ben vernederd voor het oog van het volk. Ik maak er een einde aan. Het doek is gevallen. Ik lijd pijn. Mijn lippen branden en de afgebrokkelde voortand (de schade valt achteraf gezien nog mee) veroorzaakt een zeurderige pijn waardoor zelfs praten pijnlijk is.

Laat ik beginnen met de pijn te verdoven. Op naar de bar bij de receptie. En als het vod gesloten is, is er vast een zeemanscafé in de haven. Drank verdooft pijn. Niet alleen de lichamelijke. Juist niet de lichamelijke. Met tegenzin kom ik overeind, sleep mijn jasje over de vloer achter mij aan. De deur. Waar is de sleutel. O ja, jaszak. Ik trek gelijk mijn jas naar aan, hoor iets in mijn zak rammelen, pak het koude voorwerp beet, loop de kamer uit en bots bijna tegen haar op.

Haar! Zij!

‘Jij!’ gil ik en wil de deur voor haar verbouwereerde gezicht dichtgooien. Ze is me voor, duwt me achterwaarts de kamer in, komt gelijk dicht tegen mij aanstaan, wrijft haar lichaam ritmisch en sensueel tegen het mijne.

‘Lieveling,’ zegt ze met hijgende fluisterstem vlak bij mijn oor. Ik voel haar hete lippen om mijn oorlel, ze geeft er een plagerig rukje aan. ‘Eindelijk zijn we samen.’ Met haar voet geeft ze een geroutineerde achterwaartse trap en de deur valt met een klap in het slot. We zijn weer samen. Of ik het nu leuk vind of niet.


Kees

Zelfstandig schrijver en fotograaf

1 reactie

Yannick · 26 februari 2003 op 22:22

Jammer dat de wasstraat serie gaat stoppen Kees.
Zorg wel voor een “wasstraat” waardig einde hè 🙂

P.s. Hoe is het met de boeken, zijn er al geintreseerde uitgevers???

Geef een reactie