Ik kijk voor de laatste keer naar de hemel. De lucht heeft de kleur blauw die het maar zelden heeft. Heel intens, scherp, helder blauw. Ondanks dat de zon nog aan kracht moet winnen, voel ik haar branden op mijn haren. Ik denk dat het een mooie zomerdag zal worden. Zeker zal ik het nooit weten, voor mij houdt het hier zo ongeveer op. De weg die ik nu bewandel, de stappen die ik nu zet; het is de weg naar het einde, de stappen des doods. Nog één keer heb ik jouw hand op mijn rug gevoeld. Je hand trilde, het was de eerste keer sinds die nacht dat je me weer aanraakte. Hoe het zover heeft kunnen komen, hoe ik me zo heb kunnen laten gaan – hoe ik het onderwerp van zoveel afschuw heb kunnen worden?

‘Kijk, Youp, dit is nu Beau. Wel lief voor hem zijn hé?!’ Verwonderd aanschouw ik het tafereel dat zich nu vlak boven mijn hoofd afspeelt. Astrid kijkt met samengeknepen ogen en een weeïge glimlach naar het kind in haar armen. Beau produceert op zijn beurt korte, kraaiende geluidjes. Peter is direct bij thuiskomst, zonder ons normale begroetingsritueel uit te voeren, naar de keuken gesneld. Vanuit de keuken komt nu het geluid van tegen elkaar aan tikkend servies, het openen van de koelkast en het lopen van de kraan. Onmiddellijk voel ik de droogte achter in mijn keel weer. Zou Peter zien dat mijn water op is?

De eerste keer dat ik Beau hoorde huilden, was diezelfde middag. Vanuit het kleine kamertje op de 1e etage komt een vreselijk gekrijs, gevolgd door het gerustellende gemompel van Astrid en Peter. Kon ik eerder die dag nog getwijfeld hebben, vanaf dat moment is het zeker, niets zou meer zo zijn als het was. Onze dagelijkse uitjes worden in opzet en samenstelling gewijzigd. Nooit meer ben ik alleen met hen.

Aan het huilen van Beau lijkt geen einde te komen. Vooral op Astrid heeft dit grote invloed. Wanneer hij begint te huilen, staat zij op en begint door de kamer te lopen. Ondertussen met beide handen het huilende hoopje omklemmend. Zodra ik ook maar in haar gezichtsveld verschijn hoor ik de bekende woorden; “Rot op Youp!” Teleurgesteld, mezelf zo klein mogelijk makend, sluip ik bij haar vandaan.
We waren een hecht team. Zij steunde op mij, juist in moeilijke tijden zoals deze. Voelde zij zich rot, dan ging ik dicht tegen haar aan staan en keek haar met mijn grote donkere ogen aan. Astrid roemde mij dan om mijn instinctieve gevoel altijd het juiste te doen. Waarom iets kapot maken dat zo mooi was als het geen wat wij met z’n drieën hadden? We hadden toch genoeg aan elkaar, waarom nu Beau erbij halen?

Op de laminaatvloer in de woonkamer is een lichtstreep van de maan te zien die door een kier in de gordijnen naar binnen schijnt. Astrid en Peter zijn een paar uur geleden naar boven gegaan en ik lig languit in de gang, mijn kop op de eerste trede van de trap rustend. Slapen lukt mij niet meer. Overdag doe ik soms even mijn ogen dicht maar slapen zoals ooit, dat gaat niet meer. Ook deze nacht is de eenzaamheid van de nacht beklemmend. Dan, alsof iemand aan de volumeknop draait, begint Beau zachtjes met huilen. In een enkele seconde sta ik op alle vier mijn poten. Alle spieren in mijn goed getrainde lichaam zijn gespannen. Ik spits mijn neus, trek mijn oren plat in mijn nek en ren de trap op. Het kost mij nauwelijks moeite om de deur van zijn kamertje open te laten gaan. Mijn ademhaling stagneert. Beau huilt zachtjes door in zijn wieg, terwijl hij nietsvermoedend met zijn armpjes om zich heen graait. Het kan nu nooit meer lang duren of in de slaapkamer hiernaast worden ze wakken. Alles is nu zwart in mij en slechts het slepende kermen van Beau is nog hoorbaar. Ik neem een aanloop en spring met al mijn kracht boven op de wieg. In één stevige kaakbeweging hap ik in Beau’s hoofd. Mijn tanden doorboren zijn nog zachte schedeltje. Ik bijt nog een keer, nu vol in zijn mollige babyarmpje en schut een paar keer heftig mijn kop heen en weer, zijn tere botten kraken. De zoete smaak van bloed is nu onmiskenbaar aanwezig in mijn mond.

Heeft het nog zin pijn te voelen, je bewust te zijn van pijn als je weet dat je binnen nu en enkele ademteugen zult sterven? Toch voel ik, ondanks dat de injectie zijn werk begint te doen, nog steeds jouw laatste trillende aai over de vacht van mijn rug. Ik voel hem als een pijnlijke zweepslag. Het litteken zal ik altijd dragen, als een herinnering aan wat was en niet meer is – zelfs nu ik er niet meer ben.

http://www.nosheadlines.nl/forum.php/list_messages/3031

Categorieën: Verhalen

4 reacties

DreamOn · 12 augustus 2006 op 19:18

Heel knap, hoe je hebt weten in te leven in de hond. Heel goed neergezet, ik ben onder de indruk. Als je het krantenbericht leest krijg je al kippevel, van jouw column ook. Mijn complimenten!

Mosje · 12 augustus 2006 op 20:21

Mm, ik ben niet zo’n liefhebber van het schrijven vanuit het perspectief van een dier. Mensen denken niet als dieren, en andersom ook niet. Het roept valse sentimenten op. Het verhaal zit schrijftechnisch goed in elkaar, maar het kan me helaas niet bekoren.
Kwestie van smaak hoor.

KawaSutra · 13 augustus 2006 op 13:08

Je moet er niet aan denken dat je zoiets overkomt. Geen pretje om te lezen maar wel goed geschreven.

WritersBlocq · 13 augustus 2006 op 21:07

Ik vind het goed geschreven en houd juist wel van het inleven in mens en/of dier. Liever had ik hem destijds in de rubriek ‘Actualiteiten’ gelezen, maar ik kan mij voorstellen dat je dit niet ‘eventjes’ schrijft.
Groetje, Pauline.

Geef een antwoord