Het begon harder te regenen. Ik besloot een kortere weg naar huis te nemen. Ik verliet de gracht met zijn luidruchtige kroegen en dook een smalle steeg in. Meteen werd ik in een vreemde schemering ondergedompeld, het wervelende kleurrijke grachtenleven viel plotsklaps weg. Ik liep met stevige stappen door de kille nacht. Echo’s weerklonken tegen de vochtige klinkerweg en de kale bakstenen muren die de steeg in een beklemmende greep hielden. Het stonk naar menselijke urine. Het uiteinde van de steeg was een mysterieuze lichtgevende nevel.
Lichte, snelle voetstappen. Ik draaide me om, maar nog voor ik een vage schim in het vale licht kon onderscheiden werd ik met een smak tegen de muur geperst. Mijn wang schaafde pijnlijk langs de scherpe rand van een ruwe baksteen.
‘Je geld!’ schreeuwde iemand in mijn suizende oren. ‘En snel een beetje!’
Ik voelde een koud voorwerp bij mijn keel. Een vreemde sensatie zwol aan in het zachte vlees. Half verdoofd en met trillende hand probeerde ik tevergeefs de binnenzak van mijn jas te vinden.
‘Geen rare fratsen uithalen!’ snauwde de stem onmiddellijk. ‘Wat doe je?’
‘Mijn pinpas,’ stamelde ik.
‘Speel niet met me, man! Geld moet ik. Geen stom stuk plastic.’
‘Heb ik niet bij me!’ riep ik radeloos.
‘Schoft!’
Een scherpe tinteling. Een warme vochtige stroom, die zich vanaf mijn hals naar beneden leek uit te breiden. Mijn benen die begonnen te haperen. Ik zag hoe ik in een langzame, spiraalvormige duikeling naar de bodem van een diep ravijn zonk. Waar een bloedrode stroom zich samensmolt met een heldere, brede rivier. In werkelijkheid zakte mijn lichaam rechtstandig naar de harde klinkers. Ik werd niet van mijn geld beroofd, maar in plaats daarvan als een hond afgeslacht.
Niet veel later reïncarneerde ik en wist wat mij te doen stond. In dit nieuwe leven hoefde ik slechts één taak te volbrengen. Ik wijdde mijn jonge leven aan een gerichte training, met veel discipline en volharding. In de week dat ik zes werd vond ik dat de tijd daar was. Ik zocht de afgelegen steeg op, want ik wist dat mijn moordenaar daar nog altijd actief moest zijn. Verscholen in een nis wachtte ik geduldig af.
De roofmoordenaar verscheen en ik nam een aanloop. Hij wist niet wat hem overkwam toen een grote, gespierde hond hem doelgericht besprong. Felgele ogen, een wijd opengesperde bek, een diep gegrom, stank, kwijl en schuim. Mijn vlijmscherpe tanden verbrijzelden zijn strot, nog voor hij geschrokken kon terugdeinzen.

Categorieën: Verhalen

Kees

Zelfstandig schrijver en fotograaf

1 reactie

Godspeed · 11 februari 2003 op 11:00

Wat een geluk dat je niet als teckel bent terug gekomen?? 😀

Geef een antwoord