Zodra ik mijn ogen sluit word ik meegevoerd in een zee van verontrustende beelden. Ik zie baby’s. Talloze krijsende baby’s. Hun gezichten en lichamen lijken misvormd en hun ogen schreeuwen het woord [i]honger[/i]. Met wild zwaaiende armen en benen manen ze mij aan ze op te pakken, ze te strelen, te voeden; mij dwingend om een moeder voor ze te zijn. Maar inplaats daarvan schop ik ze van mij af; ik schop, trap en sla alsof mijn leven ervan afhangt. Vlees. Bloed. Vlees. Nog meer bloed.
De kamer verwordt langzaam maar zeker tot een slachthuis. Ik open mijn ogen en leg mijn handen op mijn buik. “Hoor je wat ik zeg: “Jij bestaat in MIJN buik.” Het wezen in mij keert zich om. Zijn ziel, ontsnapt uit het vacuüm van mijn pijn, tot monsterlijke proporties geëxpandeerd. “Wat geeft jou het recht om je in mij te manifesteren?” “Wie denk je dat je bent om bezit te durven nemen van een plaats in mijn lijf?”

Ik geloofde het niet. Dat onrecht kon verdwalen in mijn bloedeigen lichaam. Dat de dood oogluikend kon toestaan hoe een leven zich ongewild in mijn baarmoeder kon volgroeien, terwijl diezelfde dood het wel gewenste leven zo achteloos had vernietigd. Wie ben je? fluister ik. En opnieuw sluit ik mijn ogen. Droomloze nachten lijken niet meer te bestaan.

In de hoek van de kamer zie ik een wieg. Spottend staat het daar, alsof het een bewustzijn heeft en weet wat de aanblik van de lege inhoud met mij doet. Maar dan zie ik hoe de slaapkamerdeur opent. In grote getalen wurmen talloze schedelhoofdige baby’s zich langs de deur. Hun gekrijs gaat door merg en been en er is niets wat ik kan doen dan toe te zien hoe ze langzaam bovenop mij kruipen.

Mijn adem stokt en opnieuw word ik wakker. Een besef: er groeit iets in mij. Iets vreemds en oneigens, een wezen dat ik niet ken, maar dat mij in alles laat weten dat het mij nodig heeft. Het heeft al ogen, een hoofd, een zelfstandig kloppend hart. Het leeft van mij; het zuigt de kalk uit mijn botten. Het leeft via mij.

Het leeft, ondanks mij.

Het geheim is het enige dat ons bindt. Maar schaamte, angst en een herinnering aan een eindeloze nacht brengen ons mijlenver uiteen. Ontstaan uit een brute daad van wellust. Vermoorde onschuld in nog blinde ogen.

[i]”Het doet mij pijn, veel pijn, maar je laat mij geen keus.”[/i]

Categorieën: Fictie

7 reacties

Dees · 4 januari 2009 op 13:01

Brrr…. Ben wel blij dat je die avatar niet meer hebt van het zigeunerjongetje met bloedende ogen…

arta · 4 januari 2009 op 13:03

Je hebt je heel goed ingeleefd in een vrouw, Troy!
De angstdroom van al die baby’s deed mij een beetje denken (zonder het bloed en de botbreuken) aan een droom van Shrek uit de tweede of derde film.:-)

doemaar88 · 4 januari 2009 op 16:45

Je hebt van iets dat heel mooi moet zijn (als je de moeders mag geloven ;-)), iets heel lelijks gemaakt. Heel knap. De titel vind ik ook top, Troy!

SIMBA · 4 januari 2009 op 19:57

Eng, intrigerend en mooi.

pally · 4 januari 2009 op 22:15

Ha Troy, ik griezelde een beetje van je column en toch kon hij me niet raken. Ik vond het voornamelijk eng. Weer lezend zie ik opeens een slachtoffer van een verkrachting, bedoelde je dat ook?
In elk geval intrigerend,

groet van Pally

Prlwytskovsky · 9 januari 2009 op 23:56

En dan te bedenken dat ik altijd dacht dat jij een man was??????????
Streenzzzzzz …….

Mien · 29 januari 2009 op 16:07

Een juweeltje Troy.

Zwart, raak, dubbel en knap geschreven.
Goed uitgelicht en eens met doemaar.
Knappe titel.
Chapeau! :duimop:

Voor mij mag ie best een maandje op de voorpagina.

Mien

Geef een antwoord