De knuppel kwam vlak naast mijn hand terecht en sloeg brokken sponzig hout uit de pingpongtafel.
‘Govrdomme,’ vloekte Willem.
Hij keek me aan met die kleine stekende oogjes. Hij was woedend. ‘Glukgehad,’ gromde hij. ‘Verdomd, Zondag, jehebglukgehad.’
Hij draaide zich om naar Connie. ‘Noujij!’
Connie keek naar de pingpongtafel. Ze keek naar de honkbalknuppel. Ze rilde.
Plotseling zag ik de hele situatie in het juiste perspectief. We waren gek. Het deugde allemaal niet. Nou ging die idioot Connie op haar hand slaan. Nou zou hij haar natuurlijk raken. Ik had gewoon geluk gehad.
‘Willem!’ vroeg ik dringend.`
‘Eénklap,’ zei Willem.
Het klonk zeurderig. Een klein kind dat zijn zin wil hebben.
Ik overwoog dat hij mij dan maar op m’n hand moest slaan. Niet Connie. Niet mijn verkeerslichtmeisje. Nooit!
‘Willem?’ vroeg ik.
‘Éenklap,’ zeurde Willem.

‘Nee!’ zei ik ferm. Het was het soort nee dat ik de eerste dag al had moeten laten horen. Met zo’n klank in je stem die duidelijk maakt dat er niet over valt te praten.
‘Jawel!’ gromde Willem. ‘Eén klap.’
‘Nee!’ zei ik. ‘Je mag mij slaan. Maar Connie niet.’
‘Jeheb glukgehad,’ gromde Willem. ‘Nuzij!’
Toen deed ik iets waar ik nog heel lang over na zou denken. Ik stapte op Willem af en pakte hem zomaar die honkbalknuppel af.
‘Sodemieter op!’ gromde ik.

We keken elkaar aan. Zijn stekende zwarte oogjes in mijn woedende ogen.
‘Eénklap,’ gromde Willem. ‘Tisjeeige schuld. Klootzakke!’
‘We willen praten!’ gromde ik kwaad. ‘Maar je gaat niet slaan.’
Hij deed een pas mijn kant uit. Ik dacht aan de paal die hij uit de grond had getrokken.
‘Pierre!’ zei Connie dringend.
‘Donderstraal op!’ zei ik. Het ging vanzelf. Ik was kwaad. Mijn verkeerslichtmeisje op haar hand slaan! Was hij van God los?
‘Zondag!’ zei Willem dreigend. Die grote knuist ging omhoog. Met de kennelijke bedoeling mij de honkbalknuppel af te pakken.
‘Reijnhout!’ zei ik kwaad.

We stonden als twee kemphanen tegenover elkaar.
‘Pierre!’ zei Connie dringend. ‘Pierre hou er mee op!’
‘Eén klap,’ zei Willem. ‘Tisjullieeigeschuld.’
‘Donder op!’ zei ik grof. ‘Weg wezen!’
De grote knuist wilde de honkbalknuppel pakken.
Ik sloeg hem feilloos boven op zijn hoofd. Zo hard ik kon. Willem slaakte een merkwaardige zucht, wankelde en stortte neer. Hij raakte daarbij de pingpongtafel. Er knapte een grote hoek van het blad af. Nu zag ik pas hoe verrot dat ding was.
‘Pierre!’ gilde Connie.

Categorieën: Hokusai bon

1 reactie

Kees · 9 maart 2003 op 15:33

Niet te geloven dat die man zijn hand vrijwillig op het hakblok legt. Ik zou niet eens mee zijn gegaan die tuin in. Het toont aan hoe sommige mensen anderen feilloos weten in te palmen, alles voor ze kunnen laten doen. Vooral als er een groep is, doen mensen bijna alles om bij de “leider” in de gunst te komen.
Ben benieuwd naar het volgende deel, maar heb nu al medelijden met Pierre!

Geef een antwoord