We zaten samen voor de tv. Connie en ik. We keken Hokusai Bon. Het was niet te geloven. Het was zaterdagmiddag half drie. Een fatsoenlijk mens is dan bezig in de tuin, prutst ergens wat in huis of valt zijn vrouw lastig maar kijkt niet naar een kinderserie op tv. Het kwam omdat we nieuwsgierig waren. Dus keken we op deze zaterdagmidag naar Hokusai Bon. Informatie op Internet had ons duidelijk gemaakt dat het een herhaling was van de zwart wit serie uit de jaren zestig. Net zoals dat ook met Ivanhoe was gebeurd.
‘Hij heeft dit gezien toen hij nog een jochie was,’ begreep Connie.
‘En toen maakte het diepe indruk,’ knikte ik.
‘Is niks verkeerd mee,’ zei Connie.
Daar moest ik eens diep over nadenken. Connie heeft gestudeerd. Ze zegt maar niet zo wat. Ze bedoelde te zeggen dat je als volwassene best naar afleveringen op televisie mag kijken van series die je in je jeugd gezien hebt. Maar je moet ook afstand kunnen nemen. Naar mijn gevoel bestond dat bij Willem niet.
‘Ik weet het niet,’ aarzelde ik. ‘Hij zit daar elke middag in dat hol van hem te kijken. Net of hij weer dat jochie is.’
‘Hij is nog steeds dat jochie,’ beaamde Connie. ‘Maar hij is ook slim genoeg om zichzelf met zijn handeltjes te bedruipen.’ Ze begreep precies wat ik bedoelde.
Ik knikte. ‘En hij heeft een taktiek ontwikkeld iedereen naar zijn poppen te laten dansen.’
‘En dat zit jou dwars,’ constateerde Connie. Het was als vanouds. We hoefden elkaar maar weinig te zeggen om elkaar te begrijpen. Het was net als lang geleden bij het verkeerslicht.
We keken elkaar aan. Hokusai Bon dook op tussen de bomen in een typisch Japans landschap en roste met zijn houten knuppel een paar booswichten af die het op de plaatselijke schone hadden voorzien.
‘Eigenlijk is dit gewoon een knokfilm zoals ook al die karatefilms,’ glimlachte Connie.
‘Zoals je toen ook Eddy Constantine had,’ beaamde ik.
‘En eigenlijk weten we dus nu genoeg,’ besloot ze.
‘Hij mag uit,’ zei ik.
De televisie zweeg braaf. We keken elkaar aan en begonnen te glimlachen. Het gaf een fijn gevoel als je elkaar goed begreep. Bovendien waren we nog even verliefd op elkaar als toen.
‘We moeten er gewoon eens een weekje uit,’ stelde Connie voor. ‘Niks Willem. Niks verdwalen in de kroeg. Niks klooien in huis. Gewoon een weekje uitwaaien.’
Ik knikte. ‘Je hebt gelijk. We moeten er echt eens uit.’
‘Wanneer gaan we?’ vroeg Connie. Ze had er zin in. Dat zag ik aan haar gezicht.
‘Zo snel mogelijk,’ vond ik.
We hebben in Limburg een tweede huis. We komen daar de laatste tijd helemaal niet meer. We hadden het een tijd geleden gekocht. In een opwelling. Kwestie van geld beleggen. Maar ook omdat je het mooi kon opknappen. Een kolfje naar mijn hand. Ik was al een heel eind. Maar al wandelend en fietsend genoten we ook van het Limburgse landschap. We kwamen er gewoon veel te weinig.
‘Regel dan dat we volgende week maandag gaan,’ stelde Connie voor.
‘Ik knikte.’
‘En dan gaan we wandelen en fietsen. We doen niks aan het huis.’
Ik knikte opnieuw. Mijn verkeerslicht meisje had helemaal gelijk. We moesten er gewoon even uit.
‘Ik zie er nu al naar uit,’ zuchtte Connie.
Ik besloot de zaterdagmiddag een betere invulling te gaan geven.


2 reacties

Kees · 28 januari 2003 op 21:32

Je had me mooi beet! Ik denken dat het aan mijn recente teeveeloze-avond lag dat ik het programma niet kende, terwijl ik toch een teeveeverslaafde van vijf jaar (en eentje van 39) in huis heb. Ik zoek dus op Goochel naar Hokusai Bon en kom daar alleen jouw verhalen tegen…

Cor Snijders · 28 januari 2003 op 22:20

Of je het gelooft of niet… Het wordt erger…

Geef een antwoord