Er dreunt een keiharde bass door mijn headset als ik op de fiets zit. Het is een standaardscenario zo vroeg in de morgen. Na mijn ‘ontbijtje’ stap ik als in een droom op mijn tweewielertje. Koptelefoon of headset in of op mijn oren, want een koptelefoon in je oren lijkt mij een directe sollicitatie bij de spoedeisende hulp. Ik begin altijd met een rustig nummertje. Om in de ‘happy-status’ te komen. Wanneer ik langs die bedwelmende industrielucht bij de ‘baggerschipbouwers’ fiets krijgt mijn happy-status altijd een fikse deuk. Je zou denken dat die ‘lompe’ Poolse , Brandaris-shag-rokende mensen nog geen deuk in een pakje boter kunnen schieten. Het tegendeel bewijst het. Ik weet niet of ze goed kunnen voetballen, hoewel ene Boniek toch een behoorlijk balletje kon trappen. Wat ik wel weet is dat ze mijn humeur een fikse deuk toebrengen met hun blik naar mij. Al die industriemensen, ze kijken me aan van: ‘Oh, daar hebben we weer zo’n wonderkind dat met de nieuwste gadgets rondloopt.’ De waarheid is dat ik nóg met een iPod van de derde generatie loop en geloof me, bij de ‘Digikids’ onder ons is dat een menselijke natuurramp.

Ik zou het ook van die kant kunnen bekijken. Misschien is die hijskraanbestuurder in zijn vrije tijd wel de diepste spits van de plaatselijke FC en kan die dus wel degelijk voetballen. En die ‘bedwelmende’ lucht, misschien is dat wel de geur van die ene mevrouw die ik elke morgen tegenkom.

Afijn, ik vorder gestaag mijn weg richting Gorinchem en de rustige muziek is inmiddels verandert in de iets wildere muziek. Muziek waar sommige mensen twijfels over hebben. Twijfels over het feit dat die muziek wel ‘muziek’ genoemd kan worden. Die mensen zijn vast ouder dan 50, want die hebben de Sixties’ , de Seventies’ en de Eighties’ meegemaakt. Volgens hun was dat echte muziek en is de muziek van nu maar een beetje gerampestamp op keiharde dreunen. Ach, de één luistert kattegejank, de ander vind Mozart ‘lekkere muziek’.

Ik fiets verder, mijn mond in gebarentaal bewegend, zonder enige decibel te produceren. Mensen kijken me aan alsof ik meedoe met een ‘pleebeksjow’. De playbackshow voor – zo zullen mensen gedachten hebben- minder valide mensen. Want zo zag ik eruit, zo zie ik er elke morgen op de fiets uit. Haren bewegen mee op de ritme van de wind, waardoor aan een ontplofkapsel niet te ontgaan is.

Het bizarre is altijd, ik weet precies wanneer een nummer komt. Ik bereid me dan altijd voor op de tonen die komen gaat. Ik wist, na dit nummer komt een lekker ‘dubstep’-nummer. En ik bereidde me voor. Ik bereidde me voor op de bijna elektronische tonen die door mijn headset gejaagd zouden worden. De eerste tonen kwamen. Ze gingen door mijn slakkenhuis en mijn hersenen zeiden: ‘DIT IS GEEN DUBSTEP’ Precies, dit was geen dubstep. Dit was Veldhuis & de Kemper en tegen de tijd dat die dubstep gaan maken, kan ik op water lopen.Alleen dit was niet zomaar een nummer van het duo. Dit was ‘Ik wou dat ik jou was’. Mijn gedachten gaan terug naar de badkamer waarin mijn zus en ik dit nummer altijd meezongen.
Waar spiegels door ons valse gezang bijna braken. Waar schoenen figuurlijk tegen het doucheraampje gesmeten werden. Waar kippenvel zich meester over mijn rug maakte tijdens het refrein. Vooral de zin ‘Ik niet de ragout, maar de pastei was’ zal ik nooit vergeten. Op zondag, hét voorgerecht. Het was bijna nostalgisch die ene morgen.

Ik word tijdens het nummer ingehaald door de ‘aartsvijanden’ van de overkant. De sterk christelijke-leeringen van de ‘refogemeenschap’ die mij met een middelvinger begroeten. Of gedag zeggen, want ik had ze vijf minuten eerder al gegroet met ‘Stelletje klerenlijers, ga eens aan de kant’. Alleen toen luisterde ik dit nummer niet, dit nummer wat mij direct aan het denken zette.

Hoe vaak wil ik niet dat ik ‘jou’ was. Of dat jij mij was, of dat wij beide iemand anders waren en wij beide weer ingenomen zouden worden door weer iemand anders. De wens om iemand anders te zijn leeft bij iedereen. Iedere jonge voetballer wil of Lionel Messi of Cristiano Ronaldo zijn. Net als de vaders die voetbalminnend zijn, die vroeger Maradona wilden zijn op de pleintjes in de buurt. Alleen elf ‘Pluisjes’ zijn een beetje te veel van het goede. Zeker wanneer je een paar jaar geleden Maradona wilde zijn op een voetbalveld. Er zouden geen witte lijntjes meer overblijven.

Ach, ik wil ook wel eens die stoere jongen met een vlotte praat zijn. Ik wil ook wel eens die succesvolle zanger zijn. Of die nerd die met gemak zijn ‘alle tientjes zwemmen in het water’ binnen hengelt- als die visser is tenminste. En misschien willen die scheepsbouwers ook wel een keer die zeventienjarige knul zijn die ze elke dag met een minachtende blik aankijkt. Misschien willen die ‘refo’s’ ook wel een keer die ‘minder-valide’ jongen zijn , die altijd maar weer mee moet doen op zijn muziek.

Het zal wel de wens van iedereen blijven , om zo af en toe de nostalgische woorden van Veldhuis en Kemper mee te zingen. Wetende dat het maar een illusie is die met het volgende nummer als een zeepbel uiteen spat. En toch zal ik zo af en toe, uit pure hoop , zingen: ‘Maar ik wou juist dat ik jou was…’


2 reacties

axelle · 22 september 2011 op 12:32

Zeemzoeterige titel van je column tovert een glimlach op mijn gezicht .. Klein beetje veel jeugdig sentiment ..

sylvia1 · 23 september 2011 op 15:57

Ik zit in de trein vaak tussen scholieren, studenten, luister hun gesprekken graag af. Die sfeer herken ik ook in deze column.

Geef een antwoord