Samen met mijn vriendje loop ik door het dorp. We krabben wat aan onze kont uit verveling. Wat zullen we vandaag toch eens gaan doen? Er staat midden in het dorp al een hele tijd een oude boerderij leeg. Compleet vervallen staat ie tussen hoog onkruid te wachten op … ja … op wat eigenlijk? In ieder geval heeft hij onze aandacht getrokken. We kruipen door een groot gat in het hek dat de boerderij omgeeft.
Met bonzend hart verkennen we de boerderij en verwonderen ons over de grootte er van. We zijn onder de indruk. Het ruikt muf, naar hout en droog hooi. Verder is het erg warm. Het is hartje zomer. Met een beetje fantasie zie ik een gezellig leven op de boerderij voor me. Zou dit de koeienstal zijn? Hee, kijk, een trap naar de zolder. Durven we erop? Beter van niet, de trap mist enkele sporten en de zolder oogt toch wel erg hoog.
Mijn vriendje stoot me aan en kijkt ondeugend. “Fikkie stoken?” Ondertussen haalt hij een doosje lucifers te voorschijn. Het hart in mijn keel probeert nu door mijn oren naar buiten te springen. “Ja, ja, doen we!” Samen zoeken we een geschikt plekje. We kijken ook goed of het vuur zonder belemmeringen omhoog kan. Dat hebben we geleerd bij de scouting. Daar in de hoek tegen de muur is een perfecte plek. We verzamelen wat droog hout en hooi en kijken elkaar aan, goedkeurend. De hens er in.
Fascinerend kijken we hoe het vuur langzaam om zich heen grijpt. Eerst heel klein, zich nestelend in het hooi … maar dan … ineens … jemig … er lijkt geen houden meer aan. De vlammen zijn ineens een halve meter hoog. Wat nu! De paniek slaat toe. We proberen het nog met een oude lap uit te slaan, maar dat wakkert het vuur alleen maar aan. We raken de controle volledig kwijt. Als bange honden vluchten we met de staart tussen de benen weg van de boerderij.
De vlammen slaan reeds hoog uit het raam en zoeken zich een weg naar het dak. Heel even blijven we, veilig op afstand, staren naar de ramp die zich voor onze ogen voltrekt. “Wegwezen, kom …!”, roept mijn vriendje. We rennen zo hard als we kunnen door het hoge onkruid. In de bewoonde wereld houden we onze pas in. Niemand mag onze paniek zien. We vluchten richting de friteskraam om de hoek. Daar houden we ons even koest.
Duizend gedachten flitsen door mijn hoofd. Stinken mijn kleren? Zal de boerderij helemaal afbranden? Waren er mensen aanwezig? Heeft iemand ons gezien? Even later horen we de brandweer met luide sirene. Bezoekers van de friteskraam lopen naar buiten. De brand moet ergens in de buurt zijn. Hopelijk hebben we geen roetvlekken in ons gezicht. Voor de zekerheid wrijf ik met een nat gespuwde zakdoek over mijn voorhoofd en wangen.
“Tegen niemand iets zeggen!”, spreken we met elkaar af. Het nieuws over de grote boerderijbrand gaat snel als een lopend vuurtje door het dorp en bereikt ook de friteskraam. Gelukkig zijn er geen gewonden. We houden onze mondjes dicht. Ik speel voorlopig niet meer met vuur. Zeker weten. “Wat ben jij laat, waar heb jij gezeten, wat heb jij uitgespookt?” Hoe zal ik straks antwoord geven op al die vragen? Ik probeer alvast wat antwoorden te verzinnen. Dat valt niet mee. Ik tril. De schrik zit er nog goed in.

6 reacties
troubadour · 16 februari 2015 op 18:35
Nee, geen goed verhaal. De proporties deugen niet. Het is nogal wat, een grote boerderij in de fik steken en de beleving bij de hoofdrolspelers is die alsof ze een bal door een ruitje hebben geschopt. Echt een miskleun. Als je zo’n geheim een leven lang mee moet dragen dan..dan.., beter alsnog opbiechten lijkt me. Het is nooit te laat..
Mien · 17 februari 2015 op 20:21
[quote]Er staat midden in het dorp al een hele tijd een oude boerderij leeg. Compleet vervallen staat ie tussen hoog onkruid te wachten op … ja … op wat eigenlijk?[/quote]
Waar staat dat het om een grote boerderij gaat???
Na 42 jaar opbiechten … Aan wie, wat, …?
En ja, de schrik zat er goed in.
Maar misschien komt het niet zo over. Dat kan.
troubadour · 18 februari 2015 op 07:41
Met bonzend hart verkennen we de boerderij en verwonderen ons over de grootte er van.
Mien · 18 februari 2015 op 09:15
Tjsa … In de ogen van kleine jongetjes is al snel iets groot natuurlijk. Goed gezien. Ik had eigenlijk geen idee meer hoe groot de vervallen boerderij daadwerkelijk was. Maar los van de grootte, de impact was er niet minder door. In een aangepaste versie laat ik deze beschrijving weg. Bedankt voor jouw opmerkzaamheid.
Esther · 20 februari 2015 op 20:04
Ik vind het precies dat, wat je zegt dat je schrijft. In mijn herinnering staan de nu kleine gebeurtenissen, niet van belang zijnde als groots gegrift. Het stukje deed mij denken aan al die kleine maar grootse dingen.
Zoals het sneeuwballenverhaal. Met een groep gooiden we ijsballen tegen rijdende auto’s. Mijn ijsbal was vol op het raam. Bingo! Trots. De auto stopte en een man stapte uit in razernij. Ik zag het als in slow-motion gebeuren en de man kwam steeds dichterbij. Zijn ogen stonden woest. Wat ik niet wist is dat iedereen achter mij, weg was gerend. Ik stond daar als gebiologeerd. Hij schudde mij wat door elkaar en riep: ‘Boeventuig’.
De man stapte weer in zijn auto en reed weg. Het stelde niks voor.
Op dat moment kwam de hele klas aanrennen met de meester en het hoofd van de school. Het verhaal ging vanaf toen de ronde dat Esther was aangevallen door een gemene man en dat haar klas haar gered had. Zo gaat dat dan. En nu schrijf ik het hier op want ik ben het nooit vergeten. Vooral de lafheid van mijn klasgenoten. :-)) :smug:
Mien · 21 februari 2015 op 11:47
Bedankt voor jouw reactie. Goed om te lezen dat de korte verhalen andere herinneringen wakker schudden.