Leuk zul je denken. Ik pak mijn schaatsen en ga schaatsen. Tsjah wat doe je anders met schaatsen. Als je eenmaal op het ijs staat valt het allemaal toch vies tegen. Al wankelend schaats je het ijs over, in de hoop jezelf toch nog even staande te houden in plaats van meteen op je plaat te vallen. Na de eerste vijf minuten komen de eerste vervelende verschijnselen. Koude tenen. Het schaatsen lukt niet meer, en je gaat naar de kant voor een warm kopje chocolademelk. Werkt ook niet want je ziet dat je zusje net al de hele thermosfles heeft leeggedronken. Snel heb je genoeg van het schaatsen, en je neemt je dan ook voor om het nooit meer te doen.

Zo simpel ligt het allemaal niet. Neem nou Marianne Timmer en Erben Wennemars. De kersverse nieuwe wereldkampioenen. Allemaal leuk en aardig natuurlijk voor hen, want hun zijn sprinters. Die hebben niet echt ergens last van. Maar neem nou lange baan rijders. Zouden die niet misselijk worden? Het enige wat je doet is minuten lang rondjes rijden zonder te stoppen. En die rondjes gaan dezelfde kant op. En na een tijdje gaan je benen toch verschrikkelijk verzuren, en kan je na de wedstrijd een half uur niks meer doen. Stel dat je in je linkerbeen meer kracht hebt dan in je rechter, dan kom je toch een stuk langzamer de bocht door dan andere schaatsers. Toch zijn schaatsers echte topsporters. Het uithoudingsvermogen dat ze hebben is onverwoestbaar. Helemaal op zichzelf gericht schaatsen ze de wedstrijd uit.

Op een gegeven moment dacht ik. Laat ik mijn uithoudingsvermogen op gaan bouwen. Steeds langere tijden achter elkaar schaatsen, met vijf minuten pauze ertussen. Lang hield ik het niet uit, na vijftien minuten werd ik het al behoorlijk zat. Erg frustrerend om dan te zien dat een man van 60 al twee uur zonder tussenpauze aan het schaatsen is. Zeker als deze nog twee keer zo hard gaat als ik. Toch moest ik van mezelf door blijven trainen, totdat ik net zo hard kan schaatsen als andere topschaatsers. Het maakt niet uit met welke techniek, zolang ik maar harder kan. Op een gegeven moment zie ik Jan Bos die aan het schaatsen is. Aan het warmschaatsen wel te verstaan. Ik denk dit is mijn kans, en ik haal hem in. Niet dat hij hard ging, maar toch haal ik hem in. Het gaat om het idee. Meteen daarna ben ik dan ook naar de kant gegaan, heb m’n schaatsen verwisseld voor schoenen en loop naar het restaurant waar Erik Hulzebos zit. Hij blijkt met een groep vrienden te zijn. Deze drinken allemaal bier, maar Erik drinkt gewoon iets fris. Dat offert hij dus op om topschaatser te zijn.

Wanneer ik naar buiten loop om te wachten op mijn ouders, komt na een tijdje ook Erik Hulzebos naar buiten lopen. Heeft u het laatste boek van Harry Mülisch al gelezen probeer ik. Hij hoort het niet. Het is maar goed ook. Erik heeft in Vila Velderhof aangegeven dat hij nog nooit van Harry Mülisch had gehoord. Als sportman geef je wat op voor je sport.


7 reacties

Liz · 22 januari 2004 op 13:11

Heel pakkend geschreven!

Kees Schilder · 22 januari 2004 op 13:23

Onderkoeld geschreven.Een hele goeie

Mup · 22 januari 2004 op 16:54

Mooi afgesloten.

Groet Mup.

pepe · 22 januari 2004 op 16:55

Leuke column en waar als een koe, als je topsporter wil zijn moet je heel wat opgeven.
Maar als je met heel veel plezier iets doet dan krijg je er ook veel voor terug.

viking · 22 januari 2004 op 17:25

mmm… hád geen kwaad gekund wanneer die Hulzebos toch ooit een boek had gelezen.

Ma3anne · 22 januari 2004 op 19:24

Wie is Erik Hulzebos? 😆

Leuk geschreven!

deZwarteRidder · 23 januari 2004 op 13:41

Erik hoorde je wel,,,,,,
alleen hij verstond je niet…Erik heeft een eigen taaltje.O.N. (Onbestemd Nederlands)

Geef een antwoord