Ik zoek troost bij onbekenden. Kus de lippen van mensen die ik nooit eerder heb gezien. Een enkeling kent de onherbergzame leegte van het hart: het zwarte gat van gemis. Onze ogen zijn als beslagen spiegels. De adem van anderen staat er als een blauwdruk op af te lezen. Van elkaar zullen we nooit houden; niet zoals van diegene die ons achter heeft gelaten. Zoals van de engel met zwarte vleugels of de klootzak met gouden inborst. De overspelige muze of de nachtvlinder die gedoemd was jong te sterven. Dus kussen wij elkaar. Bezwerend. En met gesloten ogen reizen wij terug. Naar andere levens, andere tijden; terug naar herinneringen die alleen wij kennen. In het café is het een bende. Het effect van alcohol heeft geen enkel doel gemist. Verderop staat een man met afgezakte broek. Ik kan nog net een deel van zijn pik zien. Met lodderige ogen kijkt hij mij aan. Ik glimlach naar hem waarop hij uitdagend zijn tong uitsteekt en in zijn kruis begint te graaien. Ik zoek een noodzaak om te leven, zegt hij in gedachten: het enige wat ik kan bedenken is seks; de rest heeft mij nooit ook maar een moment compleet laten voelen.
Dat ik vannacht de laatste zal zijn die met hem meegaat zal hem onaangedaan laten. Voor mij duizend anderen. Hij weet dat dat ook voor hem geldt.

‘Hou je van mij?’ vroeg een geliefde mij ooit. ‘Ik hou van je tot aan de maan en terug’ antwoordde ik. ‘Maar verder dan dat kan ik niet gaan. Je bent niet goed voor mij, dat weet je.’ Hij knikte. Schuldbewust misschien. En toch geloof ik in je, dacht ik. Toch geloof ik dat je ooit genoeg van mij zult houden om mij het hele universum voor je door te laten reizen. Om mij iedere ster te laten plukken die ik tegenkom en je er ’s nachts wanneer je slaapt volledig mee te bedekken. Om je voor iedere ster een wens te doen maken en je de liefde zoals ik die voel tot in je poriën door te laten dringen. Ik was achttien en net geen maagd meer. Hij was zo oud als ik nu ben. Steeds beter begin ik hem te begrijpen.

Een tijdlang bleef ik aan de bar zitten. Ik dacht aan het gemis, de dingen die ik het liefst tot mijn laatste adem bij mij had willen houden. Naast mij stonden twee vage bekenden. Met de een zou ik vannacht nog kunnen neuken, maar de ander, zijn nog-net-niet-partner, zou mij dat waarschijnlijk niet in dank afnemen. Hij herinnerde mij aan het gevoel van onbehagen dat onoverkomelijk na het klaarkomen bezit van mij zou nemen. Dat zure grijze gevoel van een gedood verlangen dat had plaatsgemaakt voor een ander verlangen. Naar liefde zoals ik die vroeger ervoer. De hoop op iemand die mij met al mijn gebreken als de meest complete persoon die hij ooit had ontmoet in zijn leven zou meenemen. Samen op reis. Samen tot aan de maan en verder.

Deze nacht is als alle anderen. Het donker is mijn doodskleed. De aarde mijn lafhartige graf. Over het leven heb ik weinig meer te vertellen. Over nachten des te meer.
De nacht: een muur van lawaai en stilte, gehuld in een sterrenloze hemel waarin slechts een bleke maan verlichting biedt. Nog even en ik ga naar huis. Nog even en iedereen gaat naar huis.
Misschien moet ik mij er maar bij neerleggen. Het zij zo. En zo is het altijd geweest.
Het wordt weer licht. Nog even en het wordt licht.

Categorieën: Liefde

13 reacties

arta · 30 maart 2009 op 09:55

Wat een prachtige, maar trieste tekst, Troy.
Zo waar en hopelijk soms ook toch niet…
🙂

LouisP · 30 maart 2009 op 10:33

Troy,
ik ken je niet echt. Het verhaal komt wel echt over.
De eerste alinea slaat in als een bom.

‘Ik hou van je tot aan de maan en terug’

prachtig!

Louis

pally · 30 maart 2009 op 10:42

Mooi rauw en tegelijkertijd poetisch stuk, Troy. En op de een of andere manier bijt dat elkaar niet.
[quote]dat zure grijze gevoel van een gedood verlangen dat had plaatsgemaakt voor een ander verlangen.[/quote] vond ik heel mooi.
Ook het einde met die herhaling erin, simpel maar sterk:
[quote]Het wordt licht. Nog even en het wordt licht.[/quote]
Goed je terug te zien, hier!

groet van pally

SIMBA · 30 maart 2009 op 11:56

Gelukkig wordt het weer licht!

Bitchy · 30 maart 2009 op 12:08

[code]Samen op reis. Samen tot aan de maan en verder.[/code]

Een onvoorwaardelijke liefde… Ik gebruikte de tekst *tot aan de maan* als ik s avonds de kinderen op bed legde. Ik hield van ze tot aan de maan, zij hielden van mij tot aan Mars, ik weer van hen tot aan Venus. Net zolang tot we het sterrenstelsel door waren.
Kortom, onvoorwaardelijke liefde, ik denk dat die alleen voor je kinderen bestaat.

Heel mooi geschreven, pakkend en emotioneel.

Nana · 30 maart 2009 op 13:25

Lijkt wel een bluestekst. Mooi.

doemaar88 · 30 maart 2009 op 16:44

Prachtig stuk met mooie zinnen. Goed gedaan, leest prima weg!

Mien · 30 maart 2009 op 17:58

Beauty Troy!

Mien

maurick · 30 maart 2009 op 23:00

Deze stukken liggen toch wat zwaar op de maag, maar ik vind ze daarom niet minder mooi. Sommige zinnen zijn om van te smullen, werkelijk waar.
Het is zwart, erg zwart, maar mooi zwart is ook niet lelijk…

lisa-marie · 30 maart 2009 op 23:22

[quote] En met gesloten ogen reizen wij terug. Naar andere levens, andere tijden; terug naar herinneringen die alleen wij kennen. [/quote]
Gewoon mooi rauw!

KawaSutra · 31 maart 2009 op 00:35

Uitstekende titel voor een levenscolumn.

Shitonya · 31 maart 2009 op 17:07

Nog altijd even wazig en treurig, maar toch vind ik hem lekker weg lezen, doeltreffend, realistisch, deels herkenbaar, niet te lang of kort voor het idee en mooi neergezet. Bis bis 😎

LouisP · 31 maart 2009 op 21:16

Troy,

de eerste alinea is als een gedicht. Pure schoonheid. Ben er van onder de indruk.

L.

Geef een antwoord